De moderne vogels (Neornithes) vormen een grote en gevarieerde groep dieren. Er is één kenmerk dat bij uitstek uniek is voor de vogels: veren. Alle vogels hebben veren, maar geen enkel ander dier huidig dier. Recente fossielen uit China tonen dat er onder sommige dinosauriërs zowel veren in moderne zin bestaan hebben als eenvoudige voorlopers ervan.
Aangezien het niet waarschijnlijk is dat zo'n uniek kenmerk meer dan eens is ontstaan, werpt dit een geheel nieuw licht op de relatie tussen vogels en dinosauriërs. In ieder geval zijn de vogels en dinosauriërs ten nauwste aan elkaar verwant. Hiervoor zijn een aantal mogelijkheden:
Zie afkomst van de vogels voor een dieper gaande bespreking van de afkomst en vroege evolutie van vogels. Bijna alle geleerden geloven tegenwoordig in de eerste mogelijkheid.
Veren of pluimen hebben een aantal functies. Allereerst bieden ze isolatie. Tussen de veren wordt een laagje lucht vastgehouden dat wordt opgewarmd door het lichaam. Dankzij de veren gaat er weinig lichaamswarmte verloren. Bovendien zorgen de veren samen met natuurlijk vet voor een ideale isolatie tegen vocht (bij eenden).
De lichaamsbedekking bestaat uit donsveren en dekveren. De donsveren dienen als een soort "onderkleding" en de dekveren als "bovenkleding". De veren van de vleugels en staart zijn het grootst en worden pennen genoemd. In de botten van de vleugels is het patroon van een arm met een hand te herkennen. Sommige vogels hebben veren die niet erg 'verig' meer aandoen: pinguïns, kiwi's, struisvogels.
Bij vogels zijn het bijna altijd de mannetjes die de mooiste veren hebben (bij o.a. franjepoten zijn de vrouwtjes het mooist), in tegenstelling tot andere dieren moet het vrouwtje verleid worden; vaak gaat dit gepaard met een schitterende dans, zang of een romantisch dineetje ( vb.:een hoopje wormen).
Net als haren gaan veren niet een heel vogelleven mee. Daarom moeten vogels ruien. Vaak gebeurt dat in de herfst, maar sommige vogels ruien ook nog een keer in het voorjaar. sommige vogels worden speciaal gekweekt voor de veren zoals ganzen en struisvogels.
Al deze eigenschappen behalve de tweede komen ook bij (andere) dinosauriërs voor.
De twee belangrijkste spieren die instaan voor de vleugelbewegingen zijn de grote borstspieren en de coracoacromiale band, ook wel kleine borstspier genoemd. Beide soorten bevinden zich grotendeels centraal aan de buikzijde, wat belangrijk is voor de balans van de vogel in vlucht. De grote en de kleine borstspier zijn antagonisten (=een spier die de tegenovergestelde beweging van een andere spier uitvoert), ze stellen de vogel in staat de vleugels te bewegen en zo dus ook te vliegen.
• De grote borstspieren zorgen voor de neerwaartse vleugelslag. Hierbij moet enorm veel kracht ontwikkeld worden (de vogel moet zich als het ware afzetten tegen de lucht). Vandaar dat deze spieren in verhouding enorm groot zijn en zeer sterk ontwikkeld zijn.
• De kleine borstspier heeft een tegengestelde werking, ze zorgt namelijk voor de opwaartse beweging van de vleugels. Voor de meeste vogels is de opwaartse slag louter een `herstelslag': deze slag brengt de vleugel terug in positie om aan een krachtige neerwaartse stoot te beginnen. Deze spier is dan ook niet zo goed ontwikkeld als de grote borstspier.
De moderne vogels zijn in twee hoofdgroepen onder te verdelen, de Palaeognathae (Struisvogelachtigen) en de Neognathae (alle overigen). De namen verwijzen naar de structuur van de kaak (gnathos) die ofwel 'ouderwets' (palaeos) ofwel 'nieuw' is (neos). De paleognathe vogels zijn grotendeels loopvogels die het vliegen verleerd hebben, hoewel de tinamoes daar een uitzondering op zijn.
De Neognathae worden onderverdeeld in een vrij groot aantal orden. De taxonomie van de vogels is anno 2005 echter een vrij omstreden zaak, omdat de DNA-resultaten een aantal traditionele denkbeelden tegenspreken (zie Sibley-Ahlquist taxonomie van de vogels). Een gedegen studie van DNA-basevolgorden is er in tegenstelling tot bij de zoogdieren nog niet. Deze indeling van de vogels is daarom onder voorbehoud en zal ongetwijfeld nog bijstelling behoeven. Wel is sinds de vondst van Vegavis iaai (beschreven 2005) duidelijk geworden dat een deel van de diversiteit van de Neornithes en zelfs de Neognathae al stamt uit het Mesozoïcum. De stamboom moest daarom in 2005 qua tijd vrij drastisch herzien worden (vgl. de twee stambomen).
Hier op Wikipedia wordt de taxonomie gebruikt zoals in de Geïllustreerde Encyclopedie van de vogels (Perrins, C.M., ed., 1990) (ISBN 9061138833). Hierin wordt de zogenaamde "traditionele" (d.i. morfologische) classificatie van de vogels tot uitdrukking gebracht. Er zijn tegenwoordig allerlei moleculaire classificaties van de vogels gesuggereerd, maar die zijn allemaal onstabiel en een consensus onder ornithologen ontbreekt vooralsnog.
Vooral de zangvogels, bijvoorbeeld de nachtegaal, hebben de zang tot een ware kunstvorm en een belangrijk communicatiemiddel ontwikkeld. Bij andere ordes is de 'zang' vaak een eentonige roep zoals bij de koekoek. De orde Passeriformes (zangvogels) is de jongste orde van de vogels die in het midden van het Tertiair ontstaan is. Het is vandaag verreweg de grootste orde met de meeste soorten, variërend van kleine actieve vogeltjes die in boomkruinen leven, zoals de zangers, tot de krassende raaf.
Voor middeleeuwse geleerden was dit duidelijk: vogels zingen om God te loven met hun lied. Bovenal gold dit voor de veldleeuweriken, die immers ook nog eens opstijgen naar de hemel. Zo schreef een anonieme dichter uit de veertiende eeuw over de leeuwerik:
Later werd de opvatting populair dat vogels zingen om mènsen te behagen. Vogelzang zou geen ander doel dienen dan voor mensen prettige achtergrondmuziek te produceren. Modernere vogelonderzoekers echter hebben in tal van experimenten aangetoond dat vogels voornamelijk zingen om twee redenen. De eerste is om hun territorium te verdedigen tegenover soortgenoten. Het territorium is het voedselgebied van de vogel - wat niet automatisch samenvalt met het gebied waar het paartje broedt. Het mannetje zingt ook niet exact vanuit het midden van het territorium. Meestal kiest de vogel vier of vijf zangposten aan de buitenkanten, om het gebied goed af te bakenen. Zo'n buitenpost kan dus ook door een naburig mannetje als zangpost gebruikt worden. Het zingen is dus bedoeld om niet voortdurend grensgevechten te hoeven leveren. In veel opzichten is vogelzang dus weinig meer dan vocaal vechten, met ander woorden: ‘schelden naar de buren’.
De tweede reden om te zingen is het lokken (en binden) van een partner; vocaal flirten dus. Zo moet de prachtige en zeer luide nachtegaalzang zijn ontstaan: nachtegaalmannen komen een week eerder dan de vrouwen aan op de broedplaatsen en beginnen luidkeels een territorium te claimen. Dag en nacht proberen ze vervolgens een vrouwtje te lokken. De zanger met het meeste volume en uithoudingsvermogen heeft de grootste kans dat hij door een vrouwtje wordt uitverkoren om voor nageslacht te zorgen. Bij de meeste vogels dient hetzelfde zangtype beide doelen, maar er zijn ook vogels met een afzonderlijke territoriumzang en een aparte liefdeszang, bedoeld voor het vrouwtje. Dit laatste type is vaak een fluisterzang: een zeer zachte zang, die vaak alleen in de paartijd en vlak in de buurt van het wijfje wordt voortgebracht.
Voël | طائر | Páxaru | Птици | བྱ་ | Ocell | ᏥᏍᏆ | Ve'kese | Ptáci | Aderyn | Fugl | Vögel | Bird | Birdoj | Aves | Linnud | پرنده | Linnut | Oiseau | Fûgels | Éan | Paxaro | עופות | Ptice | Madár | Burung | Ucelo | Fugl | Aves | 鳥類 | ფრინველები | 새 | Çûk | Edhen | Avis | Vullen | Veugel | Paukščiai | Птици | Burung | Tototl | Vagel | Voegels | Fugl | Fugler | Ouaîsé | Aves | Voggel | Ptaki | Aves | Птицы | Aceddi | Bird | Vtáky | Ptič | Птице | Fåglar | பறவை | นก | Kuşlar | Птахи | Chim | 鸟