Een vaccin is een middel dat bij de patiënt een immuunrespons opwekt zonder hem ziek te maken. Hierdoor is de gevaccineerde beter tegen de ziekteverwekker bestand waar het vaccin voor bedoeld is dan zonder de behandeling.
Een inenting, ook wel vaccinatie genoemd, dient ter training van het afweersysteem van een persoon, meestal in de kindertijd. Tijdens de zwangerschap krijgt een baby veel antistoffen van de moeder mee, waar het ongeveer twee maanden mee kan doen. Daarna moet de baby het zelf doen, en een vaccinatieprogramma kan daar bij helpen.
Ook (huis)dieren worden ingeënt, bijvoorbeeld tegen hondsdolheid.
De naam vaccin en het werkwoord vaccineren komen van de latijnse naam voor koepokken: vaccinia (vacca = koe).
Louis Pasteur nam bij toeval waar dat een enige weken oude cultuur van kippencholerabacteriën (Pasteurella multocida) slechts een lichte ziekte veroorzaakte, die tegen een latere ernstige infectie beschermde. Hij formuleerde toen de gedachte duidelijker. Met een verzwakte smetstof kan men soms goedaardige infecties verkrijgen die tegen een besmetting met 'virulente' bacteriën (virussen) beschermen. In korte tijd verkreeg hij door kweken onder abnormale condities verzwakte smetstoffen van miltvuur, varkensvlekziekte en hondsdolheid. Later verkregen andere onderzoekers op soortgelijke wijze 'minder virulente' vaccins, die zich in het lichaam langzamer ontwikkelden, juist genoeg om immuniteit te induceren, zonder dat ernstige ziekteverschijnselen optraden.
Sir Almroth Wright (1897) concludeerde dat inspuiting van grote doses gedode bacteriën een soortgelijk effect moest hebben, mits bij het doden de structuur zo weinig mogelijk veranderde (verhitting op 56°C, formaldehyde e.d.) en ontwikkelde een werkzaam vaccin tegen tyfus.
Toen men ontdekte dat de verschijnselen van difterie (Pierre Roux en Alexandre Yersin) en tetanus (Shibasaburo Kitasato) aan exotoxinen te wijten waren, leerde men ook tegen deze ziekten te immuniseren met behulp van toxoïd, d.w.z. met formaldehyde ontgift toxine.
Moderne kennis bracht nieuwe mogelijkheden. Men leerde bij vele infecties welke antilichamen beschermden en welke antigenen of delen daarvan (epitopen de juiste antilichamen opwekten. In veel gevallen kan men deze antigeen-fragmenten koppelen aan een drager-eiwit of met een recombinant-DNA-techniek het fragment aan het oppervlak van een onschadelijke bacterie laten produceren en hiermee immuniseren. Een virus antigeen, door gistcellen geproduceerd, leverde een vaccin tegen Hepatitis B (Maurice Hilleman 1984). Vaccinia-virus dat een vreemd antigeen aan de celwand produceert, levert een vaccin tegen pokken en een andere ziekte (Bernard Moss 1987).
Rijksvaccinatieprogramma's geven een schema waarmee de overheid een aantal als essentieel beoordeelde vaccinaties oplegt.
Door de vaccinatiecampagne zal de gemiddelde infectieleeftijd toenemen omdat de ziekte minder makkelijk door de populatie spreidt. De overblijvende vatbare individuen zullen later de ziekte oplopen. Dit betekent dus op een hogere leeftijd, waardoor het ziektebeeld ernstiger is.
Geneesmiddel | Geneeskundige behandeling | Farmacie | Epidemiologie
Vacuna | Vakcína | Vaccination | Impfstoff | Vaccine | Vakcino | Vacuna | Rokote | Vaccination | חיסון | Vaksin | Vaccino | ワクチン | 백신 | Vaksine | Szczepionka | Vacina | Вакцина | Cepivo | Vaccination | วัคซีน | Vắc-xin