Een trein is een verzameling gekoppelde voertuigen.
In dit lemma wordt de trein beschreven zoals deze op spoorwegen rijdt.
Omschrijving
Een verzameling gekoppelde krachtvoertuigen, rijtuigen en/of wagens is alleen een trein als deze met een geplande tijd-plaatscombinatie (een "pad") onderweg is van een station naar een andere bestemming. Met deze treinen vindt
spoorvervoer plaats, in Nederland hoofdzakelijk verzorgd door de
Nederlandse Spoorwegen, in België door de
Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
Getrokken treinen hebben altijd een locomotief als trekkracht. Een bijzondere vorm is de trek-duwtrein: een min of meer vaste eenheid van locomotief en rijtuigen, waarvan het laatste een stuurstand heeft vanwaar de locomotief met een door de trein lopende kabelverbinding op afstand bestuurd kan worden.
Krachtvoertuigen beschikken over een eigen voortbewegingsinstallatie. Een locomotief wordt daarom als krachtvoertuig beschouwd.
Een treinstel (zoals het El.Mat.'64 op de foto) is een vaste eenheid, die bestaat uit een aantal rijtuigen met een stuurstand aan beide uiteinden. Door de permanente samenstelling en de aanwezigheid van een eigen aandrijving is een treinstel eveneens één krachtvoertuig.
Indeling
Railvoertuigen kunnen worden onderverdeeld naar hun vorm en doel, of naar de krachtbron.
- Naar vorm ingedeeld, herkent men een
- Naar krachtbron of transmissie ingedeeld:
Asindeling
Om aan te geven hoe de aandrijving van een krachtvoertuig over de wielassen is verdeeld, wordt de
UIC-notatie gebruikt. Een combinatie van in een (draaistel)frame ondergebrachte aangedreven wielassen wordt aangegeven met een hoofdletter (A voor 1 aangedreven as, B voor 2 aangedreven assen etc.). Zijn deze assen afzonderlijk aangedreven, dan wordt de hoofdletter met een "o" aangevuld. Niet aangedreven wielassen worden aangegeven met een cijfer. Zijn de wielassen in een draaistel ondergebracht, dan wordt een apostrof toegevoegd. Met een + wordt aangeduid dat het krachtvoertuig uit meer dan 1 deel bestaat.
Een Railion 1600 heeft bijvoorbeeld asindeling B' B'. De loc heeft twee tweeassige draaistellen, elk met 1 tractiemotor die beide wielassen aandrijft.
Een NS 1000 had asindeling (1A)' Bo (A1)'. De loc had aan de koppen draaistellen met elk een loopas en een aangedreven as en twee in het locframe gelagerde aangedreven assen met onafhankelijke aandrijving.
Een NS Plan V, zoals hierboven afgebeeld, heeft asindeling 2' Bo' + Bo' 2'. Het treinstel heeft dus vier tweeassige draaistellen. De buitenste twee zijn loopdraaistellen, de binnenste twee motordraaistellen met afzonderlijk aangedreven assen.
Bakindeling
Om aan te geven om wat voor een type
rijtuig of
goederenwagen het gaat, worden speciale codes gebruikt. Deze codes zijn vaak te zien op de zijkant van een rijtuig of goederenwagen.
Bij goederenwagens wordt een internationaal codeschema gebruikt. Bij rijtuigen verschillen de betekenissen van de codes sterk per land. Zo zijn de Nederlandse bakcodes voor rijtuigen een stuk eenvoudiger dan bijvoorbeeld de Duitse.
De betekenissen van de huidige Nederlandse bakcodes die worden gebruikt op rijtuigen en treinstellen worden in de volgende paragrafen uitgelegd.
De codificatie die gebruikt wordt voor goederenwagens is hier te vinden.
Hoofdletters
De hoofdletters geven meestal aan wat voor een afdelingen zich in het rijtuig bevinden.
A: Eerste klas afdeling
B: Tweede klas afdeling
D: Bagage-/dienstruimte
F: Fietsenafdeling
K: Keukenafdeling
P: Postafdeling
WL: "Wagon Lits", slaaprijtuig
WR: "Wagon Restaurant", restauratierijtuig
Kleine letters
De kleine letters geven meestal de kenmerken van het rijtuig aan. De kleine letters worden
achter de hoofdletter(s) geplaatst, met uitzondering van de
m. Bij de
Koploper is ook de
s voor de hoofdletters geplaatst.
m: rijtuig met aandrijving / motorbak
c: "couchette", afdeling is ingericht om in te slapen
f: afdeling is ingericht voor stalling van fietsen
k: koprijtuig van een treinstel/treinstam (niet gebruikt bij getrokken rijtuigen, met uitzondering van DDM)
r: afdeling is ingericht als restauratie
s: rijtuig met stuurstand (niet gebruikt bij treinstellen, met uitzondering van de Koploper)
v: dubbeldekker
z: zonder toilet
Voorbeelden
- De treinstellen Plan V op de foto hebben de indeling ABk + Bk. Dat wil zeggen één koprijtuig met eerste en tweede klas, gekoppeld met een koprijtuig met alleen tweede klas. Beide rijtuigen zijn overigens aangedreven, maar dat is niet in de bakcode aangegeven.
- Een Koploper met vier rijtuigen heeft de indeling mBDk + mB + A + sBFk. Met andere woorden een aangedreven koprijtuig met tweede klas en een bagageafdeling, gekoppeld met een aangedreven tweede klas tussenrijtuig, een eerste klas tussenrijtuig en een stuurstandrijtuig met tweede klas en fietsenafdeling.
- Van de rijtuigen type ICR bestonden er voor de verbouwing tweede klas rijtuigen (B), eerste klas rijtuigen (A), tweede klas rijtuigen met bagage- en keukenafdeling (BKD) en stuurstandrijtuigen met tweede klas (Bs).
Remsysteem
Bij treinen wordt de rem
pneumatisch (door luchtdruk) bediend. Door de gehele trein loopt de treinleiding van de doorgaande zelfwerkende luchtdrukrem. In elke trein is één remkraan in dienst. Deze remkraan houdt de luchtdruk in de treinleiding op 5 bar (overdruk). De remmen van de trein zijn dan gelost. Met behulp van deze kraan kan de machinist de luchtdruk in de treinleiding verlagen, met als gevolg dat de remmen aanslaan. De remkracht is min of meer evenredig met de drukverlaging. Bij 3,5 bar treinleidingdruk is de maximale remkracht bereikt.
Bij breuk in de treinleiding (bij breken van een koppeling van de trein), een noodremming door reizigers of een ingreep van het treinbeïnvloedingssysteem wordt de treinleiding ontlucht, waardoor de complete trein remt.
Bij treinen worden verschillende soorten remmen gebruikt:
- Blokkenrem: Een remblok drukt direct op het loopvlak van het wiel. Remblokken zijn gemaakt van verrijkt gietijzer, gesinterd metaal of kunststof. De blokkenrem zorgt dat de wielen van de trein ruw worden, waardoor de trein aanzienlijk meer geluid produceert dan een trein met schijfremmen. Voordeel van deze ruwheid is dat het wiel niet snel blokkeert en dus minder last heeft van vlakke plaatsen in de herfstperiode. Ook is het elektrisch contact tussen wiel en spoorstaaf aanzienlijk beter dan bij materieel met schijfremmen.
- Schijfrem: Er zijn aparte remschijven op de wielassen gemonteerd, die tijdens het remmen tussen remblokken worden geklemd. Deze remmethode heeft als nadeel dat de wielen eerder glijden op gladde rails. De remblokken zijn echter lichter en gemakkelijker te vervangen. De remwerking bij hoge snelheden is beter dan bij de blokkenrem.
- Elektrodynamische rem: De elektrodynamische rem (ED-rem) zet de kinetische energie om in elektrische energie. De ED-rem werkt alleen voldoende bij hoge snelheden. Bij lage snelheden is de ED-rem nemen blokkenremmen of schijfremmen het werk over. De opgewekte elektrische energie wordt in remweerstanden omgezet in warmte of teruggevoerd naar de bovenleiding (recuperatie). Bij treinen die op gelijkspanning rijden zoals in Nederland en België is de energiebesparing beperkt: de gelijkrichter in het onderstation kan de opgewekte gelijkspanning niet omzetten in een wisselspanning. De opgewekte energie moet dus gebruikt worden door een (andere) trein in de betreffende bovenleidingsectie, bijvoorbeeld voor treinverwarming. Zijn er geen verbruikers aanwezig, dan wordt de remenergie in remweerstanden omgezet in warmte. Het voordeel van deze rem is de afwezigheid van slijtage. Nadeel is de gecompliceerde elektrische schakeling en het moeten onderbrengen van remweerstanden. De rem werkt alleen op aangedreven assen.
- Hydrodynamische rem: De hydraulische transmissie zet kinetische energie om in warmte. Werkt alleen op aangedreven assen.
- Magneetrem: Hierbij wordt een magneet op de spoorstaaf neergelaten. De aantrekkingskracht van de magneet veroorzaakt wrijving op de spoorstaaf, waardoor de trein afremt. Magneetremmen worden alleen bij snelremmingen gebruikt omdat de slijtage aan materieel en spoor groot is. De magneetrem kan ook gebruikt worden als parkeerrem. Er worden zowel (batterijgevoede) elektromagneetremmen als permanentmagneetremmen toegepast.
De volgende remmen onderscheiden zich in de bediening of besturing:
- Handrem: Met een een handwiel of kruk worden remmen van het voertuig vastgezet en gelost. Voor algemene invoering van de luchtdrukrem werden treinen handmatig geremd. Met de fluit van de locomotief gaf de machinist aan de remmers, die op elke beremde wagen aanwezig waren, opdracht om de remmen te lossen of vast te zetten. Tegenwoordig wordt deze rem vrijwel alleen als parkeerrem gebruikt.
- Directe luchtdrukrem: Deze rem, aangebracht op locomotieven, wordt meestal aangeduid als rangeerrem. Alleen de locomotief wordt geremd. De rem is sneller in remmen en lossen dan de zelfwerkende doorgaande luchtdrukrem.
- Zelfwerkende doorgaande luchtdrukrem: De rem wordt vanuit de machinistencabine pneumatisch op afstand bediend. Een remstuurklep (tripleklep) in elk voertuig zet een daling van de treinleidingdruk om in een stijging van de remcilinderdruk. Deze rem is wettelijk verplicht voor treinen.
- Elektropneumatische rem: De rem wordt vanuit de machinistencabine elektrisch op afstand bediend. Vanwege de wettelijk verplichte aanwezigheid van de luchtdrukrem is de ep-rem niet fail-safe. In Nederland worden de analoge ep-rem (sinds 1961) en de binaire 3-bits ep-rem (sinds 1975) toegepast. Voordelen ten opzichte van de pneumatische rem zijn de korte rem- en lostijden en het gelijktijdig aanslaan en lossen van de remmen in de gehele trein.
- Hogedrukrem: Omdat de remwerking van de "normale" blokkenrem bij hoge snelheden ontoereikend is, is materieel voor inzet boven 100 km/h vaak uitgerust met een HD-rem: boven een bepaalde snelheid worden extra remcilinders ingeschakeld of de maximale remcilinderdruk verhoogd.
- Parkeerrem: Deze rem houdt opgesteld materieel op zijn plaats. Bij "Federspeicher"-remmen houdt een veer de remmen vast. Een permanentmagneetrem houdt zichzelf op het spoor vast. Een handbediende schroefrem houdt de remmen vast door wrijving in de overbrenging of door een arretering. Een hydraulische parkeerrem door vloeistofdruk. De handrem wordt vaak als parkeerrem gebruikt.
- Noodrem: Bediening van de noodrem opent direct of indirect een klep in de treinleiding van de luchtdrukrem. Een trein kan uitgerust zijn met noodremoverbrugging die het voor de machinist mogelijk maakt, na kwiteren, de noodrem te lossen en de trein op een geschikte plaats tot stilstand te brengen (bijvoorbeeld buiten een tunnel).
- Antisliprem: De antisliprem, aangebracht op locomotieven, zorgt voor een bepaalde druk in de remcilinders van de blokkenrem. Deze rem voorkomt dat wielen doorslaan bij het aanzetten op glad spoor.
Gerelateerde onderwerpen
Nederlands spoorwegmaterieel | Trein | Spoorweg | Vervoermiddel
Tren | Vlak | Tog | Train | Zug (Eisenbahn) | Τραίνο | Train | Trajno | Juna | Train | רכבת | Kereta api | Treno | 列車 | 기차 | Keretapi | Pociąg | Trem | Tren | Vlak | Воз | Persontåg | 鐵路列車