Knolvoet (Plasmodiophora brassicae) is één van de belangrijkste ziekten bij kool. Alleen in gebieden in Noord-Holland kan zonder knolvoetproblemen elk jaar op dezelfde grond kool geteeld worden. Dit is in de zogenaamde koolstreek. De ziekte werd voor het eerst in Europa genoemd in de 13e eeuw. In de tweede helft van de negentiende eeuw ging in Sint Petersburg door knolvoetaantasting een groot deel van de kooloogst verloren. In 1875 ontdekte de Russische wetenschapper Mikhail Woronin de oorzaak van knolvoet en noemde het een "plasmodiophorous organism" en gaf het de wetenschappelijke naam Plasmodiophora brassicae.
Aan de wortels ontstaan onregelmatige opzwellingen en het blad krijgt een loodachtige kleur. In een later stadium gaat de plant slap hangen. Knolvoet is chemisch niet te bestrijden. Ter voorkoming van besmetting moet een zeer ruime vruchtwisseling van 4 tot 7 jaar worden aangehouden en moeten ook de kruisbloemige onkruiden, zoals herderstasje, in andere gewassen goed bestreden worden. Ook kan op kleigrond knolvoet tegengegaan worden door de pH te verhogen. De vroege teelten hebben minder last van knolvoet, omdat de grondtemperatuur dan nog relatief laag is. Knolvoet kan tussen de 10 en 35oC groeien, maar ontwikkelt zich pas goed bij een grondtemperatuur van boven de 15oC. De optimale temperatuur voor knolvoet is tussen de 20 en 25oC.
Verder houdt deze ziekte van een natte grond en een lage pH. Op grond met een pH van 7.2 of hoger komt geen knolvoet voor, omdat er dan geen secondaire zoosporen gevormd worden. Eenmaal besmette grond wordt nooit meer knolvoetvrij, omdat de rustsporen nooit hun kiemkracht verliezen.
Knolvoet overwintert met de rustsporen. Onder voor knolvoet gunstige omstandigheden kiemt de rustspore en vormt een zoospore, die de wortelharen van de plant infecteert. In de wortelhaar wordt een plasmodium gevormd, dat zich na een paar dagen splitst in meerkernige stukken. Elk stuk ontwikkelt zich tot een sporangium. De sporangia vallen van de wortelharen af en vormen 4 tot 8 zoosporen, de zogenaamde secundaire zoösporen. Deze dringen de wortels binnen en vormen in de wortels, dus niet in de wortelharen, een plasmodium dat zich verder door de wortel verspreidt en zo de opzwellingen veroorzaakt. Dit plasmodium vormt rustsporen, die na het afsterven van de plant in de grond terecht komen.
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Knolvoet".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world