Pelobates fuscus Larve.jpg
De knoflookpad (Pelobates fuscus) is een inheemse, padachtige kikker uit de familie der knoflookpadden (Pelobatidae).
Lichaamsbouw
De knoflookpad heeft een kenmerkende, ietwat plompe bouw. Wat meteen opvalt is de pijlvormige tekening die op de rug van vrijwel ieder individu van de soort zichtbaar is, hoewel er ook individuen voorkomen waarbij de pijl niet goed ontwikkeld is. De pijl wordt gevormd door een vlekkenpatroon op de rug, waarvan de fijne structuur (de 'afwerking' aan de randen van de vlekken) individueel sterk verschilt.
Er is per geslacht een verschil in huidskleur waargenomen; vrouwtjes zijn vaak grijs van grondkleur, mannetjes vaak leemgeel. Alle knoflookpadden hebben een witgele, tot vuil-grijze buik, oranje iris en verticale pupil.
Vrouwtjes zijn over het algemeen iets groter en plomper dan de mannetjes. Mannetjes zijn vaak kleiner en beweeglijker dan de vrouwtjes. Mannetjes hebben in de paartijd schijnbaar dikkere bovenarmen. Deze illusie wordt gewekt door het daar zichtbare kliercomplex, dat ovaal van vorm is en over de schouders van het mannetje 'op' de onderarmen ligt. Vrouwtjes lijken dan ook over het algemeen dunnere bovenarmen te hebben.
Alle knoflookpadden hebben aan beide achtervoeten een speciale, verhoornde graafknobbel, waarmee snel grote hoeveelheden grond kunnen worden verzet.
Gedrag
De naam 'knoflookpad' danken de dieren aan de kliersubstantie die zij bij ongemak afscheiden om vijanden af te schrikken. De geur doet inderdaad sterk aan
knoflook denken. Overigens doet de knoflookpad dit, wanneer deze door mensen wordt gehanteerd, bij hoge uitzondering! Onduidelijk is nog of dit gedrag in natuurlijke context vaker vertoond wordt.
Knoflookpadden kunnen hoog en snel springen. Ze zwemmen eveneens zeer snel. Ondanks hun padachtig uiterlijk kan gerust gesteld worden dat ze meer gemeen hebben met
kikkers, dan met padden.
Mannetjes produceren in de voortplantingsperiode een voortplantingsgeluid dat klinkt als “klok -...- klok-klok-...-klok-...klok-klok...”. Dit wordt meestal onder water ten gehore gebracht en is dan op het land vaak moeilijker waarneembaar. De vrouwtjes zetten omstreeks maart – april eisnoeren af waarin zich de eitjes als zwarte bolletjes schijnbaar ongerangschikt bevinden. Deze eisnoeren worden tijdens de paring min of meer om waterplanten heengewikkeld. Larven komen na zo’n 10 a 20 dagen uit het ei en zijn dan zo’n 5 mm lang. Bij een lengte van 6 – 7 mm worden de larven vrijzwemmend. De larven bereiken een totaallengte die varieert van 80 tot 200 mm.
Knoflookpadden graven ’s zomers en ’s winters holen. In de zomer houden zij zich daar overdag in schuil, om er in de nacht weer uit te komen en jacht te maken op met name loopkevers, nachtvlinders en andere ongewervelde dieren. Knoflookpadden zijn enorm snelle gravers. Met gemak graven zij zich binnen 10 minuten 50 cm diep in!
In de paringsperiode verruilen de dieren de nacht voor dag gedurende een paar dagen. In de zomerperiode trekken veel individuen weg van de voortplantingswateren. De dieren kunnen zich tot 1000 m van de voortplantingswateren begeven.
Ecologie
230604flonky.jpg
De knoflookpad lijkt in Nederland gebonden aan die landschappen die onderdeel uitmaken van de beek- en rivierdalen van de hogere zandgronden in het oosten van het land. De soort geeft de voorkeur aan een makkelijk vergraafbare, rijkelijk door de zon beschenen bodem. Deze locaties worden meestal vertegenwoordigd door zanderige
rivierduinen. 's Zomers worden knoflookpadden ook bij tijd en wijle op zandige aardappelakkertjes, in moestuintjes, in maïsakkers, etc aangetroffen. 's Zomers leidt de knoflookpad een zwervend bestaan door
houtwallen, bosjes, vochtige weilanden e.d. Er lijken jaarlijks een drietal (geidealiseerde)
habitattypen van groot belang voor het voortbestaan van de soort, nl.:
- voedselrijk, stilstaand, visvrij water als voortplantingshabitat
- rijkelijk door de zon beschenen, voedselarme zandgronden als winterhabitat
- rijkelijk door de zon beschenen weilanden, afgewisseld met zandige plekken, struikjes en bosschages, omzoomd door houtwallen als zomerhabitat.
Het zomerhabitat wordt in het kader van ecologisch onderzoek ook wel het
landhabitat genoemd.
De soort is extreem gevoelig voor te veel dierlijke meststoffen en de daaruit direct voortvloeiende verzuring van de bodem. Vooral mestinjectie, waarbij de mest direct in de bodem gespoten wordt, heeft de laatste tien jaar voor een enorme achteruitgang van geschikte leefgebieden gezorgd.
Bescherming en onderzoek
Behalve dat de knoflookpad op de
rode lijst staat en in het Europese
CITES-verdrag expliciet wordt genoemd, zijn de trends in de verspreidingsgegevens in de loop van de jaren er de oorzaak van dat er sinds 2000 een omvangrijk onderzoek is gestart naar het gebruik van het landhabitat van de knoflookpad. O.a. het
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft hier opdracht toe gegeven.
Verspreiding in Europa
In Europa komen drie soorten van het genus Pelobates voor, te weten de
Spaanse knoflookpad (
Pelobates cultripes Cuvier),
Syrische knoflookpad (
Pelobates syriacus Boettger) en de knoflookpad (
Pelobates fuscus Laurenti). De Europese soorten kunnen op basis van kleine, anatomische verschillen weer worden onderverdeeld in ondersoorten.
Verspreiding in Nederland
In Nederland is het voorkomen van de soort beperkt tot de oostelijk gelegen, hogere gronden in de rivier- en beekdalen. Daarvan zijn het
Overijsselse
Vechtdal, verschillende IJssel-beekdalen in
Gelderland, het Gelderse
IJsseldal, oostelijk
Noord-Brabant en het Noord
limburgse Maasdal te noemen als voornaamste populatiegebieden. De grootste populatie knoflookpadden bevindt zich in en rond het Gelderse Overasselt.
Externe bronnen, links, afbeeldingen
Kikvorsachtige
Обикновена чесновница | Blatnice skvrnitá | Løgfrø | Knoblauchkröte | Common spadefoot | Pélobate brun | Česnakė | Grzebiuszka ziemna