Een kaak is een deel van de schedel, en kent in de biologie een grote verscheidenheid aan vormen en maten, maar de functie is meestal hetzelfde; het voedsel bewerken voor het in het spijsverteringsstelsel komt.
In de evolutiebiologie spelen de aan- of juist afwezigheid van kaken een rol bij de indeling van veel diersoorten. De meeste kaken zijn voorzien van scherpe tanden, randen of hebben grote spieren waarmee ze enorm veel bijtkracht hebben. Daarom worden de kaken ook wel ter verdediging gebruikt, en sommige zijn erg berucht, sommige krokodilachtigen, honden en schildpadden laten na een beet niet meer los.
De efficiëntste kaken zijn waarschijnlijk die van de haai, hoewel veel uitgestorven haai-achtigen nóg grotere kaken hadden. Niet alleen de enorme spieren en vele tandenrijen maken indruk, ook het feit dat deze tanden het hele leven blijven aangemaakt worden en dus altijd vlijmscherp zijn maken haaien tot geduchte roofdieren.
Insecten en andere geleedpotigen hebben zeer complexe kaken vaak met enkele paren monddelen.
De kaak was oorspronkelijk een ton, later een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers ten toon werden gesteld. Van deze disciplinaire methode stamt het gezegde:
Iemand aan de kaak stellen.
Oorspronkelijk luidde het gezegde letterlijk: Iemand op de kaak zetten.
Kiefer (Anatomie) | Jaw | Makzelo | Mâchoire | Żuchwa | Mandíbula