Dit artikel behandelt de Joden (ook Israëlieten, het Joodse volk of volk Israël) als volk of etniciteit. Voor een bespreking van de joodse religie en cultuur, zie het artikel jodendom.
- | Magen_David_in_Double_lines_black.jpg |
Het Joodse volk leefde gedurende ten minste drieduizend jaar in het Land van Israël, waar het een monotheïstische religie ontwikkelde en meerdere malen zelfbeschikking genoot. De Joden werden door de Romeinen vrijwel geheel uit Palestina verbannen en hebben sindsdien een bewogen bestaan geleid waarin armoede, discriminatie, onderdrukking en uitroeiing, maar ook culturele, economische en individuele bloei voorkwamen. Door de jaren heen was de joodse religie, het jodendom, de voornaamste bindende factor tussen de Joden, maar geen vereiste om tot het Joodse volk te behoren.
Sinds de opkomst van het nationalisme en de Verlichting bij volkeren rondom, hebben ook Joden een transitie ondergaan waardoor velen zich minder als een volk en meer als een etnische of etno-religieuze gemeenschap binnen andere volken zijn gaan zien. Deelname aan alle aspecten van het maatschappelijk leven kon nu toenemen. Ook is met name vanuit Oost- en Centraal-Europa, waar het antisemitisme het hardnekkigst was, een Joodse nationale beweging ontstaan, het Zionisme, die bijdroeg aan de groei van de Joodse gemeenschap in het toenmalig Ottomaanse en later Britse mandaatgebied Palestina en uiteindelijk aan de stichting van de staat Israël.
Voor de Tweede Wereldoorlog was het aantal Joden wereldwijd naar schatting ongeveer 18 miljoen. Na de holocaust waren daar nog ongeveer 12 miljoen van over. Vandaag lopen de schattingen uiteen van 13,0 tot 14,6 miljoen Joden. Van de lage schatting (13,0 miljoen in 2005) leven ongeveer 5,7 miljoen in Noord-Amerika (waarvan 5,3 miljoen in de Verenigde Staten en 0,4 miljoen in Canada), 5,3 miljoen in Azië (waarvan 5,3 miljoen in Israël), 1,5 miljoen in Europa (waarvan 0,5 miljoen in Frankrijk), 0,3 miljoen in Zuid-Amerika, 0,1 miljoen in Australië/Oceanië en ongeveer evenveel in Afrika.
Oorspronkelijk was een Jehoedi een lid van de stam van Juda. Later werd de naam toegepast op alle burgers van het koninkrijk Juda, die zich afstammelingen rekenden van Jakob, alias Israël. Het andere deel van het voormalige koninkrijk Israël (dat ongeveer 100 jaar bestaan heeft, onder de koningen Saul, David en Salomo) bleef koninkrijk Israël heten en de inwoners ervan, die zich ook afstammelingen rekenden van Jakob, heetten nog lang Israëlieten.
In de tijd van Jezus wordt de term Israëlieten volgens de evangeliën niet meer gebezigd. We horen over Joden, Samaritanen en Galileeërs als de inwoners van de landstreken Judea (Juda), Samaria en Galilea. Het zijn de Joden, de Judeeërs dus, die als dominante groep tussen de Israëlieten zijn komen bovendrijven. Tegenwoordig wordt voor het volk Israël voornamelijk de term Joden gebruikt.
De definitie van "wie is Joods" en Jood-zijn is gebaseerd op de traditionele joodse wetgeving en luidt: Alleen die persoon waarvan de moeder ten tijde van de geboorte een Jodin was of de persoon die zich vrijwillig tot het jodendom heeft bekeerd op grond van de Joodse wetten is Joods. Er heerst overigens een misvatting dat tot de tijd van de tweede tempel het Jodendom ook via de vader kon worden overgedragen, maar dit argument is niet op feiten gebaseerd. Om deze misvatting te ontkrachten brengt de Thora juist in het boek Deuteronomium 7:1-5 een verbod op gemengde huwelijken. Hierbij vermeldt de Thora dat een kind met alleen een niet-joodse vader van het Jodendom verwijderd kan raken maar dat dit niet het geval is voor een kind van een niet-joodse moeder, aangezien het kind sowieso niet-joods is. In Leviticus 24:10 wordt gesproken over de zoon uit de relatie van een Israëlitische vrouw met een Egyptische man die wordt beschouwd als een deel van het volk. En ten slotte verwijst in het jaar 458 v. Chr. de schrijver Ezra hier ook naar in het Bijbelboek Ezra 10:2-3 bij zijn oproep aan de Joodse priesters om te scheiden van hun niet-Joodse vrouwen.
Volgens sommige meningen zijn Abraham en Sara het begin van het Joodse geslacht. Volgens de meeste meningen is het Jodendom evenwel ontstaan bij het massaal accepteren van de Thora op de berg Sinaï door de nazaten van de aartsvaders Abraham, Izaak en Jakob. Dit evenement vond plaats na de uittocht uit Egypte in het jaar 1312 v. Chr. (6 Sivan 2448). Aan deze massale acceptatie van de Thora als grondwet ging een massale bekering van het volk vooraf. Evenwel hebben later door de eeuwen heen verschillende mensen zich individueel bekeerd tot het Jodendom. Op wat uitzonderingen na, zoals het volk van de Chazaren, gaat het meestal om individuen, zoals bijvoorbeeld Ruth, Rabbi Shemaya, Rabbi Avtalyon, Rabbi Meir, Onkelos en de ouders van Rabbi Akiva.
In Israël, waar de op één na grootste gemeenschap leeft, is 'wie is Jood' een bijzonder precair onderwerp, waar traditioneel de religieuze politieke partijen en sinds kort ook Shinui veel politiek kapitaal op zetten. Sinds het uitbreiden van de basiswetten is het oppergerechtshof veel actiever geworden in het scheppen van juridische precedenten, zodat de status quo steeds vaker door deze instelling wordt bepaald. De huidige status quo in Israël is dat het orthodoxe Jodendom vrijwel een monopolie heeft op de besluitvorming binnen Israël, maar dat beslissingen door de niet-orthodoxe richtingen buiten Israël geheel worden erkend.
Ook in Nederland heeft het gerechtshof zich indirect met het vraagstuk bemoeid. De orthodoxe en de zeer kleine masorti-bewegingen hebben dezelfde bepalingen als elders (zie hierboven). De liberale beweging in Nederland is echter meestal wat conservatiever dan die in de VS (onder meer omdat de masorti-beweging in Nederland klein en nieuw is), maar sinds 2005 is er in Amsterdam ook een liberale gemeente in de Amerikaanse stijl, met een vrouwelijke rabbijn, die vaderjoden en homoseksuelen actief aanmoedigt lid te worden.
- | Abraham_and_Isaac_small.jpg |
Aartsvader Abraham, wiens geschiedenis in het bijbelboek Genesis staat beschreven, wordt volgens de overlevering beschouwd als de stamvader van het volk Israël. Abraham (toen nog Abram) was een nomade, die van Ur in het zuidwesten naar Haran in het noordwesten van Mesopotamië trok. Daar gelastte God hem zijn land en familie te verlaten en in een ander land een eigen volk te stichten. Genesis 12:2: 'Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn'. Abraham gehoorzaamde en vertrok met zijn hele familie en al zijn dienaren en vee naar het land van de Kanaänieten in West-Palestina. Daar bivakkeerde de groep in tenten, groef waterputten voor mensen en vee en trachtte de periodieke droogte te overleven. Wanneer dat moeilijk werd verhuisde men tijdelijk naar de Nijldelta in Egypte.
Volgens de bijbelse en Joodse traditie sloot God met Abraham in Kanaän een plechtig en eeuwig verbond. Het teken daarvan was de besnijdenis. Deze gewoonte werd van vader op zoon doorgegeven. Nog altijd worden Joodse jongetjes op de achtste dag na hun geboorte tijdens een religieuze plechtigheid besneden.
Via Abrahams zoon, aartsvader Isaak, diens zoon Jakob en zijn twaalf zonen werd het geloof in de God van Abraham op het rap uitdijende volk overgedragen. Ook tijdens het vierhonderdjarige verblijf (het exacte aantal jaren is niet bekend, want er is geen enkel bewijs of spoor van gevonden) in Egypte (mogelijk van ca. 1850 - 1450 vChr.) bleef wat er reeds bestond aan eigenheid van geloof en riten bewaard.
Mozes, afkomstig uit de stam Levi, die volgens de bijbelse geschiedenis door de dochter van de farao werd opgevoed, leidde het volk Israël in opdracht van God het land Egypte uit (de Exodus). In de woestijn van de Sinaï ontving het volk via Mozes de Tien Geboden en overige wetgeving en werd een mobiele plaats van samenkomst, de tabernakel, gebouwd. Mozes' opvolger Jozua leidde het volk over de Jordaan het beloofde land (Kanaän) binnen. Na een periode van oorlog werd het land, verdeeld in stamgebieden, in bezit genomen. Een periode van richters, hogepriesters en profeten werd gevolgd door de periode van de koningen. Belangrijk in dit verband is, dat bij vrijwel elke nieuwe ontwikkeling die het volk (en soms een individu) doormaakte, volgens de religieuze joodse traditie het verbond tussen God en Abraham plechtig werd bevestigd. Daarmee werd ook steeds opnieuw het gehele Joodse volk aangespoord God te gehoorzamen en Hem als enige God te dienen.
Groeperingen binnen het Jodendom in de tijd van de Tweede Tempelperiode: Farizeeën -- Sadduceeën -- Boethusianen -- Essenen -- Qumrangemeenschap -- Zeloten -- Sicariërs -- Herodianen -- Samaritanen
- | Sack_of_jerusalem.JPG |
In -37 wordt door de Romeinen het koninkrijk deels hersteld met Herodes als koning van Judea. De vazal Herodes (ter onderscheid ‘de Grote’ genoemd) is Romeins staatsburger, niet door het volk gekozen en geen Jood van geboorte. Hij breidt zijn rijk uit van Damascus tot aan de grenzen van Egypte en weet een periode van ongekende economische bloei te realiseren. De in zijn opdracht gebouwde tempel werd het nieuwe centrum van de joodse religie, maar de streng gelovige delen van het volk hebben hem zijn cynische machtspolitiek en zijn pogingen om de Joodse en Griekse beschaving te combineren nooit vergeven.
Na Herodes' dood in -4 maakte keizer Augustus drie van zijn zoons tot heerser, ieder over een deel van het gebied van hun vader. Herodes Antipas was tetrarch (vazalvorst) met de titel koning over de gebieden Galilea en Perea tot het jaar 39. Archelaus was zonder de titel koning ethnarch over de gebieden Judea, Samaria en Idumea tot hij wegens wanbeleid in het jaar 6 werd afgezet en verbannen. Genoemde gebieden vallen daarna onder meer directe controle van de Romeinen.
In 66 groeide de zoveelste opstand tegen de Romeinen uit tot de Eerste Joodse Oorlog, die eindigt in het jaar 70 met de verwoesting van de Tempel van Jeruzalem en de rest van de stad. Veel Joden werden gedood of als slaaf weggevoerd. Een volgende grote opstand die mislukt, de Tweede Joodse Oorlog, heeft tot gevolg dat de overlevenden werden verbannen uit Judea en Jeruzalem. Velen gingen naar Galilea, waar ze wel mochten wonen. De grond van Jeruzalem werd omgeploegd, en met puin geëgaliseerd. Jeruzalem werd daarna een puur Romeinse stad.
Veel verdreven Joden vestigen zich in Babylon, waar ze onder de heerschappij van de Parthen tot welstand komen. Onder de Sassanieden vinden vervolgingen plaats door de priesterkaste van de Magiërs, maar onder Arabische heerschappij verbetert de positie van de Joden
Van kritiek belang voor het ontstaan van een nieuwe vorm van de Joodse traditie was de ontwikkeling van de interpretaties van de Thora, die in de Misjna en talmoed worden gevonden. Circa 500 werd de Babylonische Talmoed voltooid, die bestaat uit de Misjna (leer) en de Gemara (gesprekken over de leer). Van Babylon trekken de Joden naar Afghanistan, Perzië, Indië, Armenië en het Kaukasusgebergte
Veel Joden werden verkocht in de slavernij terwijl anderen burgers van andere delen van het Romeinse Rijk werden. Dit is de traditionele verklaring voor de diaspora. Nochtans was een meerderheid van de Joden in de oudheid waarschijnlijk nakomeling van mensen in de steden van de Hellenistisch-Romeinse wereld, vooral in Alexandrië en Klein-Azië. Dezen werden slechts beïnvloed door de diaspora in zijn geestelijke betekenis, in de betekenis van het verlies van de hoeksteen van het joodse credo. Het beleid van bekering, dat de joodse godsdienst in de Hellenistische beschaving uitspreidde, schijnt met de oorlogen tegen de Romeinen geëindigd te zijn.
De joodse wetten uit de Thora (uitgewerkt in de talmoed), waaronder de reinigingswetten en de wet op de sjabbat, alsmede de besnijdenis, de synagoge en de joodse feesten zijn overal ter wereld verbindende elementen geweest. Ook het joodse onderwijs, zoals de jeshiva en cheder, en de rabbijn (Hebreeuws: rabbi, Jiddisch: rebbe), die de functie vervult van wetsuitlegger, leerling en leraar, hebben in hoge mate bijgedragen tot het behoud van het eigen karakter van de Joodse samenleving.
Als gevolg van de toename van de vervolging van Joden in Oost-Europa, nam de immigratie van Joden daarna dramatisch toe. De meeste nieuwe immigranten waren arme Joden uit Rusland en Polen. Meer dan twee miljoen Joden immigreerden naar de VS tussen het einde van de 19e eeuw en 1924, toen strengere immigratiebeperkingen van kracht werden. Een groot aantal van deze immigranten bleef in New York en directe omgeving wonen, waarmee (tot op heden) één van de belangrijkste Joodse bevolkingsconcentraties ter wereld een feit werd.
Aan het begin van de 20e eeuw leefden deze Joden hoofdzakelijk in stedelijke immigrantenbuurten, en stichtten steunnetwerken die uit vele kleine synagogen bestaan en landsmanschaften, verenigingen van Joden afkomstig uit dezelfde stad of hetzelfde dorp in Europa. De Joods-Amerikaanse schrijvers van die tijd spoorden assimilatie en integratie met de bredere Amerikaanse cultuur aan en de Joden werden al snel een deel van het Amerikaanse leven. Zo vochten vijfhonderdduizend Amerikaanse Joden, de helft van alle Joodse mannen tussen 18 en 50, in de Tweede Wereldoorlog en na de oorlog sloten Joodse families zich aan bij de nieuwe trend van suburbanisatie. In de forensenplaatsen assimileerden Joden in toenemende mate, aangezien het percentage van gemengde huwelijken met niet-Joden de 50 overschreed. Desondanks vormden zich nieuwe joodse gemeenschappen, nam het lidmaatschap van religieuze joodse gemeenten scherp toe van 20% in 1930 tot 60% in 1960 en verdubbelde het aantal leerlingen op Joodse scholen ruim tussen het einde van WOII en midden jaren 50.
In 2005 leven er tussen de 5,1 en 5,8 miljoen Joden in de Verenigde Staten. De Joden in de VS wonen grotendeels in en om de belangrijkste steden. De steden met de grootste Joodse bevolking zijn in aflopende volgorde: New York, Miami, Los Angeles, Philadelphia, Chicago, San Francisco, Boston en Washington DC. Ook in andere steden woont soms een percentgewijs aanzienlijke Joodse bevolking, bijvoorbeeld in Cleveland. In vele agglomeraties woont de meerderheid van de Joodse bevolking inmiddels in de randsteden.
In de Nederlandse diaspora zijn Joden globaal in twee periodes het land binnengekomen. Eerst kwamen de Sefardische Joden, vanwege de Jodenvervolging door de inquisitie, vanuit Spanje of Portugal. Tot op heden zijn deze te herkennen aan achternamen als Pereira, Cardozo of Nunes. Later kwamen Askenazische Joden vanuit oostelijk liggende landen, verjaagd door de daar heersende vervolging, bijvoorbeeld uit Duitsland, Polen of Rusland. Aan de Joodse achternamen is deze afstamming te zien, bijvoorbeeld Polak, Hamburger, Moszkowicz of Van Praag. Beide groepen leefden jarenlang geïsoleerd van elkaar en hadden in Amsterdam elk een eigen synagoge.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden circa 101.800 Nederlandse Joden en familieleden vermoord in de holocaust (ook wel op zijn Hebreeuws sjoa genoemd) door de nazi's en hun handlangers. Een recent artikel (2004) in het NRC schatte het aantal Nederlandse Joden tegenwoordig op ongeveer 37.000. Joodse Nederlanders zouden bovengemiddeld vertegenwoordigd zijn in de juridische en medische professies.
Jood | Евреи | Jevreji | Jueu | Žid | Iddew | Jøde | Juden | Jew | Judoj | Juudid | Juutalaiset | Juif | יהודים | Yahudi | Gyðingar | Ebrei | ユダヤ人 | 유대인 | Žydai | Евреи | Jødar | Jøder | Żydzi (naród) | Evrei | Евреи | Jew | Judje | Јевреји | Judar | ยิว | Hudiyo | Musevi | Іудеї | 犹太人