De eland (Alces alces) is het grootste nog levende soort hert: hij wordt minstens zo groot als een paard. Het is de enige nog levende soort uit het geslacht Alces.
Elandstieren hebben over het algemeen een breed, bladvormig schoffelgewei met korte uitsteeksels, maar er zijn ook individuen met een takvormig stanggewei. Het voorkomen van beide typen is geografisch bepaald: zo hebben stieren in Zuid-Scandinavië vaker een stanggewei en in Noord-Scandinavië vaker een schoffelgewei. Met name grote schoffelgeweien zijn geliefde jachttrofeeën. Het gewei wordt ieder jaar tussen december en maart afgeworpen. In april zal hij weer aangroeien, en in augustus of september wordt de basthuid afgeschuurd.
De eland heeft een kop-romplengte van 200 tot 290 centimeter. Het vrouwtje is ongeveer 25% kleiner dan het mannetje. Het mannetje heeft een schofthoogte van 180 tot 220 centimeter en een lichaamsgewicht van 320 tot 800 kilogram, het vrouwtje een schoft van 150 tot 170 centimeter en een gewicht van 275 tot 375 kilogram. De staart is vrij klein, en wordt slechts 7 tot 10 centimeter lang.
De eland komt voornamelijk voor in bosachtige streken en aangrenzende open gebieden als bergweiden en grasvelden. Landbouwgebieden worden graag opgezocht om er zich te voeden met knollen en granen. De eland heeft een voorkeur voor meer drassige streken als riviervalleien en meren. De eland is een goede zwemmer en is regelmatig in het water te vinden. Hij zal in het water gaan om daar voedsel te vinden. Voor moeilijker bereikbaar voedsel zal hij zelfs duiken. 's Winters komt hij in droger gebied voor.
1 1 43 1.svg uit Zweden en Finland]]
Het verspreidingsgebied van de eland bestaat uit Noord-Amerika, en het noordelijke deel van Europa en Azië. In Europa is hij te vinden in Scandinavië, Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland. Hij kan in bepaalde delen een gevaar vormen voor het verkeer. In bosrijke gebieden in bijvoorbeeld Scandinavië zijn om die reden waarschuwingsborden geplaatst.
De kalveren worden geboren na een draagtijd van 235 dagen. Jonge vrouwtjes krijgen meestal slechts één kalf, oudere vrouwtjes krijgen vaker tweelingen. Ook drielingen komen voor. Elandvrouwtjes kunnen nog drachtig zijn als ze twintig jaar oud zijn. Het kalf heeft een roodbruine vacht. Na twee tot drie dagen kan het jong zijn moeder volgen.
Het kalf weegt bij de geboorte zo'n 11 tot 16 kilogram. Binnen een maand verdubbelt hij zijn lichaamsgewicht. Daarna groeit hij één kilogram per dag. Aan het einde van de eerste herfst zal bij het mannetje het eerste gewei gaan groeien.
Het kalf blijft bij zijn moeder tot tien of vijftien dagen voordat het moeder het volgende kalf zal werpen. Dan zal het moeder haar jong wegjagen. De eland wordt over het algemeen in het tweede jaar geslachtsrijp. Hij kan maximaal 27 jaar oud worden.
De eland is een grote grazer die gebruikt kan worden voor de begrazing maar die in gebieden als de Oostvaardersplassen ontbreekt. De eland wordt waarschijnlijk om twee redenen niet geïntroduceerd:
In het Natuurpark Lelystad is men trouwens wel bezig een groep te fokken om uit te zetten.
Stichting Kritisch Bosbeheer heeft in december 2005 in haar tijdschrift Nieuwe Wildernis een artikel geschreven (Nieuwe Wildernis, 2005, nummer 36-37) waarin twee natuurlijke hervestigingen van elanden in Duitsland gemeld worden. Beide plekken zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden door naar schatting 300 kilometer en hebben onafhankelijk van elkaar plaatsgevonden. In de vele berichten in kranten, radio en televisie die daarop volgden, het artikel in Nieuwe Wildernis was op dat moment nog niet verschenen, bleek dat de eland misschien in tien jaar van zijn huidige leefgebieden in Oost-Europa naar Nederland zou kunnen migreren. In het oorspronkelijke artikel wordt daarover echter niet in deze termen gespeculeerd.
Dier uit het Nearctisch gebied | Hert
Elg | Elch | Moose | Alko | Alces alces | Hirvi | Élan | Alce | אייל קורא | Alko | Alces alces | ヘラジカ | Briedis | Elg | Elg | Łoś | Alce | Лось | Moose | Älg