article

Onder de cinematografie verstaat men ofwel de filmkunst (de kunst die zich bezighoudt met het maken van films) ofwel de vaardigheid in het filmen.

Als men redeneert volgens deze definitie kan men eigenlijk stellen dat Eadweard Muybridge aan de grondslag lag van de filmkunst. Toen hij in 1874 met meerdere in een rij opgestelde camera’s de bewegingen van een paard registreerde, was de fundatie van de cinematografie gelegd.

Met behulp van de in 1889 uitgekomen transparante negatieffilmband vonden Thomas Edison en William Dickson een nieuw toestel uit. Hun uitvinding, de kinetoscoop, ook wel kijkkast, bevat een ononderbroken filmstrook met afzonderlijke beelden. Als deze beelden kort belicht werden, kreeg de toeschouwer de indruk dat hij bewegende beelden zag.

Toch zijn het de Gebroeders Lumière (Louis en Auguste) die de filmkunst aan het grote publiek voorstelden. Antoine Lumière - hun vader – zag op een demonstratie van de kinetoscoop in Parijs meteen het nut ervan in. Louis en Auguste merkten op dat er toch nog twee grote belemmering aan de kinetoscoop waren: er kon maximum maar één persoon gebruik van maken, en het toestel was veel te groot en zwaar om veel mee uit te halen.

Begin februari 1895 hadden de broers al hun eigen versie van de kinetoscoop klaar, namelijk de cinematograaf. De verschillen lagen hem erin dat de cinematograaf de twee grote minpunten van de kinetoscoop wegwerkte. Het toestel woog slechts vijf kilogram en kon ook gemakkelijk met de hand bediend worden. Ook konden er nu groepen mensen kijken. Doordat de cinematograaf bestond uit een projector, kon alles worden afgebeeld op een muur.

In die tijd was het ook de gewoonte om aan iedere – vaak nutteloze – uitvinding een originele naam te geven. Daarom circuleerden er wat kleine – en onbelangrijke – toestellen die nooit veel invloed uitgeoefend hebben op het verloop van de cinematografie. Voorbeelden hiervan zijn de biograaf, theatrofoon, zoötroop, fototachygraaf, vitascoop en de mutoscoop.

« Le cinéma est une invention sans avenir »
Niemand had wellicht kunnen voorspellen dat Louis Lumière met deze uitspraak zó de bal zou misslaan. Nadat de ontwikkeling van de cinematograaf voltooid was, concentreerden ze zich op de meer commercieel georiënteerde ontwikkelingen van de filmkunst. In de eerste maanden van 1896 werden er in Londen, Brussel en New York theaters geopend met als uitsluitende functie het draaien van films.

Oorspronkelijk was er vooral belangstelling voor de film vanuit Franse hoek, wat niet verwonderlijk was. Frankrijk was immers de bakermat van de film. Maar het duurde niet lang voordat de Verenigde Staten – meer bepaald Hollywood – de leidinggevende functie overnam. Veel heeft Hollywood te danken aan regisseur D.W. Griffith, die vanaf 1908 talloze films begon te produceren. Laten we niet vergeten dat er van klank toen nog geen sprake was en ook het gebruik van kleur was een zeldzaamheid.

Na de opkomst van de slapstick, de intrede van de gesynchroniseerde – wat betekent dat beeld en klank gelijk lopen – geluidsfilm en het gebruik van de kleurenfilm kwam de cinematografie in een onafgebroken stroomversnelling. Nadat ook acteurs als Orson Welles en Marilyn Monroe hun opwachting op het doek maakten was de interesse van het gewone volk voor de cinematografie een onmiskenbaar feit geworden.

Gerelateerde onderwerpen


Filmindustrie

Filmgenres

Filmtechniek

Filmprijzen

Filmtechniek

Filmkunst | Cinematography | Filmikunst | Filmkeunst | Kinas | Kino

 

This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the "Cinematografie".

Home Pageartsbusinesscomputersgameshealthhospitalshomekids & teensnewsphysiciansrecreationreferenceregionalscienceshoppingsocietysportsworld