In eukaryote cellen wordt het DNA opgeslagen in een organel dat celkern genoemd wordt. De celkern wordt door een membraan gescheiden van het cytoplasma.
De begrenzing van de kern wordt gevormd door een dubbelmembraan, de kernenvelop. De twee membramen worden gescheiden door een ruimte van ongeveer 10 tot 40 nm(nanometer). Hierin bevinden zich vele openingen met een diameter van ongeveer 100 nm, die kernporiën genoemd worden. De buiten en binnen membraam lopen in elkaar over. Door de aanwezigheid van een kernenvelop rond de kern ontstaat een eigen milieu. De membraam laat selectief door. Wat door de celmembraan kan passeren naar het cytoplasma kan vaak niet door het membraam van de kern. Grote moleculen, macromoleculen genoemd gaan door de poriën. Dit zijn vaak stoffen die door de chromosomen gemaakt zijn en allerlei stoffen uit het cytoplasma die de kernactiviteit helpen regelen. De kernenvelop draagt vaak ribosomen op het cytoplasmatische oppervlak en loopt op bepaalde plaatsen over in het endoplasmatisch reticulum.
De transcriptie van DNA in RNA vindt in de celkern plaats, waarna voor mRNA, tRNA en rRNA verschillende carrières bestaan:
Bij de celdeling vindt als eerste een duplicatie van het DNA en daarna een deling van de celkern plaats. Pas daarna wordt de rest van de cel over de twee nieuw te vormen cellen verdeeld.
De celkern is naast het mitochondrium en endoplasmatisch reticulum het enige organel met zijn eigen ribosomen.
In prokaryoten is geen celkern; daar wordt het DNA onbeschermd in het cytoplasma bewaard.
نواة (خلية) | Buněčné jádro | Cellekerne | Zellkern | Cell nucleus | Ĉelkerno | Núcleo celular | Tuma | Noyau (biologie) | גרעין התא | Frumukjarni | Nucleo cellulare | 細胞核 | 세포핵 | Zellkär | Ląstelės branduolys | Клеточно јадро | Nukleus | Jądro komórkowe | Núcleo celular | Bunkové jadro | Једро | Cellkärna | Hücre çekirdeği | 细胞核