Een zinsdeel is in de grammatica een functioneel onderdeel van een zin. Het proces om een zin te ontleden in zinsdelen wordt zinsontleding of redekundig ontleden genoemd (in tegenstelling met "woordontleding"). De functie van een zinsdeel bepaalt voor een deel de vorm van de gebruikte woorden in het betreffende zinsdeel. In de taalkunde wordt dat een naamval genoemd. In het Nederlands (en bijvoorbeeld in het Engels) worden naamvallen nog maar weinig gebruikt, maar in veel andere talen is het gebruik van naamvallen verplicht. In talen zonder naamvallen is de volgorde van onderdelen van een zin bepalend voor de betekenis, in talen met naamvallen is deze volgorde van veel minder belang.
Zinsdelen
Persoonsvorm en gezegde
De
persoonsvorm is het actieve werkwoord van een zin, het geeft onder meer aan of de zin in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staat. In het Nederlands worden sommige werkwoorden in een zin gesplitst in twee woorden (
ophangen ->
hij hangt zijn jas op). In dat geval bestaat de persoonsvorm uit twee woorden (
hangt op).
De persoonsvorm is een onderdeel van het gezegde, waartoe alle werkwoorden van de zin behoren. Een gezegde kan naamwoordelijk zijn of werkwoordelijk. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde als er een koppelwerkwoord wordt gebruikt. Bij het gebruik van een koppelwerkwoord kan de zin geen lijdend voorwerp bevatten, en bevat het gezegde ook niet-werkwoorden. Voor het naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde wordt de nominatief gebruikt.
- In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "heeft" de persoonsvorm en "heeft gegeven" het (werkwoordelijk) gezegde.
- In de zin "Het boek is een encyclopedie" is "is" de persoonsvorm en "is een encyclopedie" het naamwoordelijk gezegde.
Onderwerp
Het
onderwerp is het zinsdeel dat de handeling van de
persoonsvorm uitvoert. Voor het onderwerp wordt de
nominatief gebruikt. Het onderwerp kan gevonden worden door te vragen "wie/wat + gezegde?"
- In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "Jan" het onderwerp.
Lijdend voorwerp
Het
lijdend voorwerp is het zinsdeel waarop de handeling van de persoonsvorm wordt uitgevoerd (het antwoord op de vraag: wie/wat + onderwerp + gezegde). Voor het lijdend voorwerp wordt de
accusatief gebruikt.
- In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "een boek" het lijdend voorwerp.
Meewerkend voorwerp
Het
meewerkend voorwerp is het zinsdeel waaraan of waarvoor de handeling van de persoonsvorm betrekking heeft. In het Nederlands kan het
voorzetsel "voor" of "aan" er worden voorgezet. Voor het meewerkend voorwerp wordt de
datief gebruikt.
- In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "Piet" het meewerkend voorwerp.
Voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling
Een
voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.
Alle overige zinsdelen worden een
bijwoordelijke bepaling genoemd. De naamval die in deze onderdelen wordt gebruikt is afhankelijk van het voorzetsel.
- In de zin "Hij is tevreden met zijn computer", is "met zijn computer" het voorzetselvoorwerp.
- In de zin "De jas hangt aan de kapstok", is "aan de kapstok" een bijwoordelijke bepaling.
In de zin "Jan heeft aan Piet een boek gegeven" is "aan Piet" strikt genomen een bijwoordelijke bepaling en geen meewerkend voorwerp.
Overige bepalingen en bijzinnen
Gecompliceerdere zinnen kunnen bijzinnen en bepalingen bevatten die iets over de bovenstaande zinsdelen zeggen.
Bijvoeglijke bepaling
Een bijvoeglijke
bepaling zegt iets over een
zelfstandig naamwoord, maar kan samen met het zelfstandig naamwoord één van de eerder genoemde zinsdelen zijn.
- eenvoudige voorbeelden zijn dus de bijvoeglijke naamwoorden die bij een zelfstandig naamwoord staan:
- De welluidende gitaar, het dappere vosje, de groeiende Wikipedia.
- dit zijn dus bijvoeglijke bepalingen, maar geen zinsdelen. Voorbeeld van een bijvoeglijke bepaling die tegelijkertijd een zinsdeel is:
- In de zin "Jan heeft Piet het boek gegeven dat op de kast lag" is "het boek dat op de kast lag" het lijdend voorwerp, "dat op de kast lag" is een bijvoeglijke bepaling bij "het boek".
Bepaling van gesteldheid
Een
bepaling van gesteldheid staat tussen een bijwoordelijke bepaling en een bijvoeglijke bepaling in. Bijvoorbeeld in de zin
"Het regent hard"
Bijzin
"Jan geeft Piet een boek, terwijl Klaas ligt te slapen".
Grammatica
Фраза | Sintagma | Frase | Phrase (Linguistik) | Phrase | Frazo | Sintagma | Syntagme | Frase | Frase | 구 (언어) | Sintagma | Фраза | Phrase | Речення | 词组