Vlooien (orde Siphonaptera oftewel 'zuigende vleugellozen') zijn parasitaire insecten die op of zeer nabij hun gastheer (zoogdieren en vogels) leven en zich voeden met diens bloed. Er zijn enige duizenden soorten vlooien beschreven.
Vlooien kennen een volledige gedaanteverwisseling, zijn dus holometabool, en hebben een zeer gespecialiseerde lichaamsbouw met meestal krachtige springpoten. Men neemt aan dat ze in een evolutionair verleden vleugels hebben gehad maar die weer verloren hebben. De meeste vlooien zijn 1-3 mm groot; allemaal zijn ze kleiner dan 1 cm.
In Nederland is de meest voorkomende soort de kattenvlo (Ctenocephalides felis), ook op mensen en honden. De mensenvlo (Pulex irritans) wordt hier eigenlijk niet meer gezien, de hondenvlo (C. canis) nog maar betrekkelijk zelden. In andere delen van de wereld ligt dat heel anders, in Zuid-Afrika bijvoorbeeld zijn mensenvlooien heel gewoon, vooral onder de zwarte bevolking. Allerlei andere soorten dieren hebben hun eigen vlooien; met name in verlaten vogelnesten worden vaak ook na maanden nog vogelvlooien aangetroffen die wel eens een menselijke bloedmaaltijd gebruiken, maar zich bij de mens op den duur niet kunnen handhaven.
Levensloop
Hookevlo.jpg
De kattenvlo laat haar eieren (ca. 20 per dag, tot 600 gedurende haar leven) gewoon vallen, die dan meestal in de slaapplaats van de
kat zullen terechtkomen. De larven, die eruit zien als kleine borstelige maden, maken drie vervellingen door en voeden zich met dierlijk afval en met de
ontlasting van hun ouders. Na de verpopping komen ze uit en gaan liggen wachten tot er een gastheer langskomt, die ze aan trillingen en diens lichaamswarmte kunnen waarnemen. Met een sprong van tot enige decimeters kunnen ze deze vervolgens bereiken. De ontwikkelingscyclus hangt af van
temperatuur en voedselaanbod maar kan ergens tussen 3 weken en 8 maanden liggen. Vooral mensen met katten die na een periode van warm weer van
vakantie terugkomen (als er dus niet gestofzuigd is) worden wel eens massaal besprongen bij het weer betreden van het huis.
Vlooienbeten
Een
vlooienbeet verloopt aanvankelijk nagenoeg ongemerkt; wel treedt na verloop van tijd vaak een
sensibilisatie op tegen het
speeksel dat de vlo inspuit in de bijtwond om het bloed niet te laten stollen (
anticoagulans). Na dat tijdstip worden vlooienbeten duidelijke
jeukbulten, soms zelfs uitgebreide
bladders, met soms een rood puntje in het midden waar de beet zat. Deze zijn in typische gevallen gelokaliseerd in groepjes op de onderbenen, in het sokgebied of onder de broeksriem, en daardoor te onderscheiden van de meer verspreid geplaatste
muggenbulten.
Duurt de blootstelling aan vlooienbeten voort, dan kan men weer
gedesensibiliseerd raken en komen er geen jeukbulten meer op. Wel veroorzaken vlooien dan nog jeuk als ze zich tussen de huid en de kleren verplaatsen. Veel mensen krijgen al jeuk als ze aan vlooien denken of erover lezen.
Neveneffecten
Nuttig gebruik
In vroeger tijden was het
vlooientheater een veel voorkomende attractie op kermissen en jaarmarkten.
Insect | Parasiet
Puça | Flöhe | Flea | Pulga | Kirput | Puce (insecte) | Pulga | פרעושים | Pulco | ノミ | Blusos | Lopper | Pchła | Pulga | Flea | 跳蚤