Victor Marie Hugo (Besançon, 26 februari 1802 – Parijs, 22 mei 1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman en wordt beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Franse romantische schrijvers van de negentiende eeuw. Hij schreef romans, gedichten, toneelstukken, essays en politieke toespraken en liet ook een uitgebreide briefwisseling na.
In 1820 richtte hij met zijn broers een krant op, Le Conservateur littéraire, waarmee hij al vroeg de literaire aandacht op zich vestigde. Hetzelfde jaar won hij ook de wedstrijd van de Académie des Jeux Floraux te Toulouse, waarvan hij ook het jaar daarop laureaat was. Onder andere door deze successen gaf Hugo zijn wiskundestudies op en stortte hij zich helemaal op zijn literaire carrière. In 1822 verscheen zijn eerste dichtbundel, getiteld Odes. In dat decennium zouden nog meerdere dichtbundels volgen. In 1824 verscheen de bundel Nouvelles Odes et Poésies diverses, die hem een koninklijke toelage van Lodewijk XVIII opleverde. Het was echter de bundel uit 1826, Odes et Ballades, die hem grote bekendheid gaf. De bundel zou in 1828 in zijn definitieve vorm verschijnen. Hugo werkte mee aan La Muse française en deelde de verwantschap met de monarchie en het christendom van die groep. In 1827 nam hij echter deel aan een groep die hij hielp mee opstarten, Le Cénacle rond Charles Nodier, die samenkwam in de Bibliothèque de l’Arsenal en die kan beschouwd worden als de wieg van de Romantiek. De groep oefende een grote invloed uit op Hugo’s literaire ontwikkeling. Hij ontmoette er onder andere Chateaubriand, Théophile Gautier, Alfred de Musset en Alfred de Vigny. De deelname aan deze groep betekende ook dat hij overliep naar het liberale kamp.
In deze periode, meer bepaald in 1822, trouwde Hugo met Adèle Foucher, op wie hij sinds 1819 verliefd was. Dit was echter zeer tegen de zin van zijn ouders en door zijn nauwe band met zijn moeder wachtte hij tot na haar dood (in 1821) om met zijn jeugdliefde te huwen. Het huwelijk wekte ook jaloezie op bij zijn broer Eugène, die geleidelijk aan ten prooi zou vallen aan krankzinnigheid. Het koppel zou samen vijf kinderen krijgen: Léopold in 1823, die enkele maanden na zijn geboorte zou overlijden, Léopoldine in 1824, Charles in 1826, François-Victor in 1828 en Adèle in 1830. Van deze vijf kinderen zou enkel de laatste haar vader overleven, hoewel zij door haar labiele mentale gezondheid vaak in verpleeginrichtingen verbleef. Het jaar na zijn huwelijk publiceerde hij zijn eerste roman, de griezelroman Han d’Islande. Zijn tweede roman, Bug-Jargal, volgde drie jaar later.
Hugo’s volgende stuk was Le roi s’amuse (1832), dat na een voorstelling door de censuur verboden werd omwille van de openlijke spot op de Franse adel. Het toneelstuk werd echter een succes in geschreven vorm. Hugo was door het speelverbod echter zodanig in zijn wiek geschoten dat hij zijn volgende toneelstuk, Lucrèce Borgia, in amper twee weken schreef. Dit stuk werd voor het eerst opgevoerd in 1833 en was een groot succes. Mademoiselle George, een voormalige maîtresse van Napoleon, speelde de hoofdrol. Een mindere rol werd vertolkt door Juliette Drouet, een actrice die later een hoofdrol zou opeisen in Hugo’s privéleven. De actrice werd zijn muze en minnares en, hoewel Hugo meerdere romantische escapades had tijdens zijn leven, werd deze relatie zelfs door zijn vrouw als vrij speciaal erkend en getolereerd. Drouet kreeg de kans om in Hugo’s toneelstuk Marie Tudor (1833) de rol van Lady Jane Grey te vertolken, maar werd na de eerste opvoering te licht bevonden en vervangen. Juliette Drouet stopte daarop met acteren en wijdde de rest van haar leven (tot aan haar dood in 1883) aan haar minnaar als onbezoldigd secretaresse en reisgezellin (o. a. naar Bretagne, Normandië, le Nord en Duitsland). Zijn relatie met Juliette Drouet was een reactie op de overspelige relatie van zijn vrouw met Charles Augustin Sainte-Beuve.
In 1835 ging Hugo’s toneelstuk Angelo succesvol in première. In november 1838 was het de beurt aan Ruy Blas. Dat stuk was het eerste dat werd gespeeld in de nieuwe schouwburg Théâtre de la Renaissance, dat door de Hertog van New Orleans (een broer van koning Louis-Philippe en bewonderaar van Hugo’s werk) was opgericht om nieuwe stukken ten tonele te kunnen brengen. Hoewel het wordt beschouwd als een van Hugo’s beste stukken, werd het destijds maar op matig enthousiasme onthaald. Daarna zou het duren tot 1843 tot Hugo opnieuw een stuk zou produceren. Les Burgraves liep 33 avonden, maar verloor publiek aan een concurrerend toneelstuk. Het zou het laatste stuk zijn dat Hugo schreef. Hij zou nog een kort versdrama schrijven in 1869, Torquemada, maar dit was nooit bedoeld om opgevoerd te worden en werd pas enkele jaren voor zijn dood uitgegeven in 1882. Toch zou Hugo een blijvende interesse hebben voor het drama, zoals blijkt uit een essay uit 1864 over William Shakespeare, wiens stijl hij zocht te evenaren.
In 1834 verscheen de documentaire novelle Claude Gueux, waarin het verhaal wordt verteld van een echt bestaande moordenaar die wordt terechtgesteld in Frankrijk. Dit kort verhaal zou later door Hugo worden beschouwd als een voorloper van zijn immense werk over sociale ongelijkheid, Les Misérables. De eerste stappen naar deze roman werden waarschijnlijk al gezet rond 1830, maar het zou duren tot 1862 voor het boek volledig af was en gepubliceerd kon worden.
In de jaren 40 van de negentiende eeuw klom Hugo op tot de hoogste rangen van de literaire en politieke wereld. In 1841, na vijf onsuccesvolle kandidatuurstellingen, werd hij verkozen tot de Académie française (stoel 14, als opvolger van Népomucène Lemercier). In 1845 werd hij door koning Louis-Philippe aangesteld als pair de France. In het parlement sprak Hugo zich uit tegen de doodstraf en de sociale ongelijkheid en voor persvrijheid en o.a. zelfbestuur voor Polen. Na de Revolutie van 1848 en het uitroepen van de Tweede Franse Republiek werd Hugo verkozen tot afgevaardigde in de Assemblée législative en de Assemblée constitutionnelle. Zijn afkeer van anarchie zorgde er ook voor dat hij de onderdrukking van de arbeidersopstand door Cavaignac steunde. Hugo waakte echter wel over de vrijheid van spreken en schrijven en over de rechten van het volk en, daar hij geloofde dat deze konden gevrijwaard worden door prins Lodewijk-Napoleon Bonaparte, steunde hij diens kandidatuur voor het presidentschap.
De successen in dit decennium werden echter overschaduwd door een aantal familiedrama’s. Zijn vrouw onderhield een (platonische) relatie met Sainte-Beuve. Zijn broer Eugène, die krankzinnig was geworden, overleed. Zijn overspelige relatie met Mme Léonie Biard kwam aan het licht en zorgde voor een schandaal. Zijn dochter Léopoldine en haar man verdonken beide in de Seine op 4 september 1843 te Villequier. Het was vooral de dood van zijn dochter die Hugo diep geraakt had en die ervoor zorgde dat hij in de periode 1843-1851 niets meer publiceerde.
Tijdens zijn verbanning vond hij in zijn nieuwe omgeving nieuwe inspiratie, onder andere door enkele bijzondere spiritistische experimenten (ingegeven door het pijnlijk verlies van zijn dochter Léopoldine), op schrift gesteld in Les Tables tournantes de Jersey.
Hugo publiceerde ook verscheidene beroemde pamfletten tegen Napoleon III, zoals Napoléon le Petit (De kleine Napoleon) en Histoire d’un crime (Geschiedenis van een misdaad), waarin hij de staatsgreep om morele redenen veroordeelde. Tijdens zijn verblijf op Guernsey schreef hij ook enkele van zijn beste werken. Hij publiceerde drie alom geprezen dichtbundels: Les Châtiments (1853), Les Contemplations (1856) en La légende des siècles (1859-1883). Daarnaast werden ook romans gepubliceerd, zoals de beroemde roman Les Misérables (1862). Zich goed bewust van de hoge standaard van zijn werk, besloot Hugo de publicatie toe te wijzen aan de hoogste bieder. Dat was de Belgische uitgeverij Lacroix en Verboeckhoven, die al zes maanden voor de publicatie persberichten de wereld in stuurde en een nooit eerder geziene marketingcampagne opzette. Aanvankelijk werd enkel het eerste deel (Fantine) gepubliceerd, dat tegelijkertijd in verschillende grote steden uitkwam. Het boek was al na een paar uur uitverkocht en had een grote invloed op de Franse maatschappij. Er waren zowel enthousiaste voorstanders als intense tegenstanders die het boek veroordeelden. Het boek gaf zelfs aanleiding tot discussies in de Assemblée nationale. Vandaag de dag wordt Les Misérables gezien als een literair meesterwerk en is het meermaals bewerkt voor televisie, film en musical.
In zijn eerste roman na Les Misérables keerde Hugo zich af van de maatschappijkritiek. Les Travailleurs de la mer uit 1866 was opgedragen aan het eiland Guernsey en werd goed ontvangen. Hugo beschreef hierin de voortdurende strijd van de mens tegen de zee en de wezens die erin leven. De roman zorgde ook voor een vrij ongewone mode in Parijs: inktvissen. Verscheidene inktvisgerechten zagen het leven, er waren tentoonstellingen gewijd aan de inktvis, een dier dat tot dan toe door velen als mythisch werd beschouwd en er werden zelfs inktvisfeestjes georganiseerd. In het straatbeeld doken zelfs inktvishoeden op.
In 1869 verscheen de roman L’Homme qui rit die opnieuw aanknoopte bij de politieke en sociale kritiek van Les Misérables. De roman toonde een kritisch beeld van de aristocratie. De roman was echter niet zo succesvol als de vorige en Hugo merkte zelf al de afstand die ontstond tussen hemzelf en literaire tijdgenoten als Flaubert en Zola, wiens naturalistische romans in populariteit de zijne overstegen. Hugo’s laatste roman, Quatre-vingt-treize, uit 1873, behandelde een onderwerp dat Hugo tot dan toe had vermeden: de Terreur na de Franse Revolutie.
Tijdens de jaren 60 trok Hugo ook verscheidene malen door het Groothertogdom Luxemburg als toerist. In 1871 vond hij in het groothertogdom ook toevlucht gedurende drieënhalve maand (1 juni – 23 september), nadat hij uit België uitgewezen was omdat hij asiel had verleend aan communards die in de Franse hoofdstad werden vervolgd. Hij verbleef achtereenvolgens te Luxemburg, te Vianden (tweeënhalve maand), te Diekirch en te Mondorf, waar hij een kuur volgde.
In 1870 keerde Victor Hugo terug naar Frankrijk nadat Napoleon III bij Sedan verslagen was en de Derde Franse Republiek was geïnstalleerd. Zijn inhaal in Parijs was triomfantelijk. Hij werd als een ware nationale held ingehaald. Hij werd verkozen in de Assemblée nationale, maar moest na een tijd vaststellen dat ook dit regime voor hem teleurstellend was, waarop hij zich terugtrok uit de actieve politiek. Op korte tijd beleefde hij de belegering van Parijs, kwam hij een milde beroerte te boven, werd zijn dochter Adèle in een krankzinnigengesticht opgenomen en stierven zijn twee zoons Charles en François-Victor. Ondanks deze persoonlijke verliezen bleef Hugo zich inzetten voor zijn politieke ideeën. Hij wijdde de laatste jaren van zijn leven aan de bescherming van de communards en aan de bewaring van zijn manuscripten voor het nageslacht. Tijdens de laatste jaren van zijn leven bleef hij ook schrijven. Zo publiceerde hij in 1870 Religions et religion (over de grenzen en mogelijkheden van de wetenschap), in 1872 L’année terrible (een poëtisch commentaar op de Commune), in 1873 zijn laatste roman Quatre-vingt-treize, in 1877 L’Art d’être grand-père en in 1881 Les Quatre Vents de l’esprit.
Victor Hugo overleed op 22 mei 1885 op 83-jarige leeftijd. Zijn dood gaf aanleiding tot een nationale rouw. Zijn lijkkist stond enkele dagen onder de Arc de Triomphe, vanwaar hij onder massale belangstelling werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in het Panthéon. Men schat dat zo’n drie miljoen mensen aan Hugo een laatste eer hebben bewezen.
Heel vaak hebben Hugo’s romans een sociale en maatschappijkritische inslag. Claude Gueux (1834), de documentaire novelle waarin hij de doodstraf aanklaagde, was alvast een eerste stap in die richting. Les Misérables (1862) heeft zeker een sociale betekenis en vertoont karakteristieken van het realisme, maar kan toch niet volledig worden beschouwd als een realistische roman.
Les Travailleurs de la mer (1866) sluit dan weer dichter aan bij de romantische esthetiek van het begin van de negentiende eeuw, met zijn verschrikkende natuur en zijn monsters. Sommigen vinden dit werk dan weer te pathetisch en melodramatisch.
Zijn laatste roman, Quatre-vingt-treize, uit 1874, behandelt dan weer een thema dat in veel van Hugo’s werken doorschemert: de belangrijke rol van de Franse Revolutie op het politieke, sociale, morele en literaire geweten van de negentiende eeuw.
De kracht van zijn werk is evenwel dat Hugo zijn publiek heeft weten te vinden zonder ooit volledig toe te geven aan de modes van zijn tijd.
Hugo vat zijn nieuwe ideeën samen in drie woorden: Totalité, Liberté en Transfiguration (Totaliteit, Vrijheid en Transfiguratie). Totaliteit, omdat het toneelstuk een totaalbeeld wil zijn van de realiteit van de dingen, de mensen en de geschiedenis; Vrijheid omdat men zich moet losmaken van het klassieke systeem van de eenheden; Transfiguratie omdat het drama de ontplooiing moet zijn van zowel de Natuur als het Ik. Er moet een werkelijke verandering van de dingen plaats vinden.
Met Hernani bereikte Hugo wel bekendheid. Dit stuk plaatste hem werkelijk aan het hoofd van de nieuwe generatie schrijvers aan het begin van de negentiende eeuw. Het stuk zette de klassieke regels overboord en was een mise en scène van wat Hugo in zijn voorwoord van Cromwell had ontvouwd. De eerste opvoering werd een echte aanvaring tussen de aanhangers van Hugo – die hij voor de gelegenheid had opgetrommeld – en de verdedigers van de klassieke regels. Er ontstond zowaar een mini-rel tussen de beide kampen die door de Hugo-aanhang – mede door hun luide gejuich – gewonnen werd. De kranten waren echter veel minder lyrisch de dag na de opvoering. Toch bleef het stuk volle zalen trekken en elke avond hoorde men nog wel gesis of gejouw tijdens de opvoering.
De volgende jaren werd Hugo geconfronteerd met de beperkingen van het toneel (de "scène à l’italienne" was weinig geschikt voor grootse toneelstukken) en met de terughoudendheid van de acteurs om mee te spelen in zijn gedurfde stukken. Uiteindelijk zal een zaal worden opgericht die volledig is aangepast aan de vereisten van het romantisch drama: het Théâtre de la Renaissance, waar Hugo in 1838 zijn stuk Ruy Blas laat opvoeren.
Het mislukken van zijn stuk Les Burgraves in 1843 en de dood van zijn dochter Léopoldine zorgden ervoor dat Hugo nooit meer een stuk ten tonele zou voeren. Hij zou nog enkele drama’s schrijven, maar deze waren nooit bedoeld om gevoerd te worden.
Voor Hugo is alles een onderwerp, alles mag door het gedicht worden behandeld. Daarom vindt men vaak in een bundel gedichten van verschillende oorsprong, uiteenlopend, maar toch complementair.
Zijn hele werk verenigt hij in 1828 onder de titel Odes et Ballades, waarin men kan zie hoe de jonge dichter vrijheden neemt met het metrum en de traditionele poëtica. De dichtbundel illustreert ook mooi de geleidelijke evolutie in Hugo’s denken: de fervente katholiek stelt zich steeds meer tolerant op, de royalist wordt minder rigide en staat meer open voor de napoleontische gedachte. Hugo gaat zijn dubbele achtergrond (napoleontisch via zijn vader, royalistisch via zijn moeder) niet uit de weg en plaatst ze zelfs tegenover elkaar in een poging ze te overstijgen.
We merken in Hugo’s beginnende carrière ook een interesse voor de l’art-pour-l’artdoctrine, wanneer hij zijn bundel Les Orientales uitbrengt. De bundel knoopt aan bij het thema van het Oosten en het exotisme dat toen in de mode was.
Les Feuilles d’Automne is een bundel met nog vrij conventionele gedichten. Zijn tweede bundel, Les Chants du Crépuscule, is al van een andere toonaard. Hier merkt men al de verschuivingen in Hugo’s gedachtegoed. De gedichten laten een drievoudige thematiek zien : een mindering van geloof, een mindering van de monarchistische idee en een mindering van huwelijksgeluk, vooral ook door de ontmoeting met zijn minnares Juliette Drouet en de overspelige relatie van zijn vrouw met Sainte-Beuve.
In Les Voix intérieures vinden we de thematiek van Hugo terug in de stemmen (les Voix) die het woord nemen: de stem van de Geschiedenis, de stem van de Natuur en de stem van de Mens. Deze stemmen zitten in ons en antwoorden op het gezang dat wij buiten ons horen.
Les Rayons et les Ombres sluit dit vruchtbare decennium af. Deze bundel toont hoe Hugo groeit naar een zekere maturiteit en hoe hij evolueert van intimisme naar een meer dramatische en visionaire inspiratie.
In de lente van 1856 verscheen de bundel Les Contemplations, die een einde maakten aan de lyrische stilte van Victor Hugo, die zich sinds Les Rayons et les Ombres (1840) meer had beziggehouden met politieke actie. De gedichten beantwoorden aan een nood tot heropbouw van een betekenis van het leven, zeker na de dood van zijn geliefde dochter en zijn ballingschap. De bundel omvat twee delen, Autrefois (Vroeger) en Aujourd’hui (Vandaag), en zijn gecentreerd rond de dood van Hugo’s dochter Léopoldine, die symbool staat voor de geestelijke dood van de dichter. De 59 gedichten onder Autrefois zijn verondersteld geschreven te zijn voor 1843, die onder Aujourd’hui (waaronder het bekende Demain dès l’aube…) na haar overlijden. Les Contemplations biedt een soort synthese aan van christendom, pantheïsme en mysticisme in de lijn van Emanuel Swedenborg en Louis-Claude de Saint-Martin.
De gedichten van Hugo’s laatste bundel, La Légende des Siècles, werden gepubliceerd in drie series, in 1859, 1877 en 1883, en werden tot een versmolten in 1885. Hugo zei zelf dat hij in dit werk de mensheid opeenvolgend en tegelijkertijd in al haar aspecten wou beschrijven. Het gaat hier om een reeks gedichten over episodes uit de bijbelgeschiedenis, de oudheid en de moderne tijd, als het ware de synthese van de geschiedenis van de wereld in een immens groot epos, een epos dat bestaat uit verschillende kleine epen, samengevat in een cyclisch geheel. In deze bundel ziet men al een evolutie in de richting van de symbolisten.
Hugo werkte alleen op papier en meestal in klein formaat. Zijn tekeningen waren gewoonlijk in donkerbruin of zwart, met soms witte accenten, maar zeer zelden in kleur. De meeste van zijn tekeningen doen verrassend genoeg vrij modern aan en kondigen experimentele technieken aan die men kent uit het surrealisme of het abstract expressionisme. In het begin zijn zijn tekeningen nog vrij realistisch, maar met zijn verbanning en de confrontatie met de zee worden ze meer en meer fantastisch.
Hij gebruikte allerlei materialen om te tekenen: van stencils over inktvlekken (die hij al dan niet door “pliage” deed ontstaan, cf. Rorschachvlekken) tot houtskool (op het uiteinde van een lucifer) en zijn vingers. Soms gebruikte hij zelfs koffie of roet op de gewenste resultaten te behalen. Er is zelfs gemeld dat Hugo met zijn linkerhand tekende zonder naar het blad te kijken, of gedurende seances om zijn onderbewuste te laten spreken, een concept dat later werd verspreid door Sigmund Freud.
Hugo publiceerde zijn tekeningen nooit, maar gebruikte ze wel om zijn familie en vrienden mee te verblijden, bijvoorbeeld als nieuwjaarskaart of als visitekaartje. Enkele van zijn werken werden aan kunstenaars van zijn tijd zoals Vincent van Gogh en Eugène Delacroix getoond, die ze zeer apprecieerden. Ook Charles Baudelaire liet zich positief uit over Hugo’s tekeningen. Hugo gebruikte zijn tekeningen ook om zijn eigen werk te illustreren, zoals hij gedaan heeft voor Les Travailleurs de la Mer.
Victor Hugo streefde ernaar de maatschappij te veranderen en klaagde de sociale ongelijkheid aan. Hij verzette zich tegen de rijken die er enkel naar streefden winst te maken zonder die winst opnieuw te injecteren in de productie. Dit werd hem echter niet in dank afgenomen door de bourgeoisie.
Hugo verzette zich ook tegen geweld wanneer deze wordt gebruikt tegen een democratische macht (conform de verklaring van de rechten van de mens), maar hij vindt geweld gerechtvaardigd tegenover een illegitieme macht. Vandaar riep hij in 1851 de mensen op tot opstand tegen Napoleon III. Zijn afkeer voor anarchie drukte hij als volgt uit in het blad L’Evénement, dat hij zelf stichtte: “Sterke haat tegen de anarchie, tedere en diepe liefde voor het volk.”
Hugo sprak zich eveneens uit tegen de doodstraf. In zijn jeugd heeft hij verscheidene terechtstellingen bijgewoond en hij heeft er zich de rest van zijn leven tegen verzet. Twee jeugdromans, Le dernier Jour d’un Condamné (1829) en Claude Gueux (1834) benadrukken de wreedheid, de onrechtvaardigheid en de inefficiëntie van de straf. Goed wetende dat enkel de literatuur niet volstaat, heeft Hugo ook zijn standpunt verkondigd op alle politieke niveaus.
Tijdens zijn politieke carrière heeft Hugo ook meerdere grote toespraken gehouden:
- tegen de ellende (Toespraak over de ellende, 9 juli 1849)
- over de plaats van de vrouw (bij de begrafenis van George Sand, 10 juni 1876)
- tegen het godsdienstig onderwijs en voor de gratis lekenschool (Toespraak over het wetsontwerp over het onderwijs, 15 januari 1850)
- meerdere pleidooien tegen de doodstraf
- meerdere toespraken ten voordele van de vrede (Openingstoespraak van het Vredescongres, 21 augustus 1849)
- ten voordele van het algemeen stemrecht
Tijdens zijn ballingschap hield hij zich bezig met het spiritisme (o. a. seances om in contact te treden met zijn verdronken dochter). In latere jaren evolueerde hij naar een rationalistisch deïsme, verwant aan het deïsme van Voltaire.
Hugo behield zijn hele leven een zekere antipathie tegenover de katholieke kerk. Dit was vooral te wijten aan de onverschilligheid van de Kerk tegenover de smeekbede van de werkende klasse die door de monarchie verdrukt werd. Een tweede mogelijke reden was misschien de frequentie waarmee Hugo’s werk op de lijst van verboden boeken van de paus terecht kwam. Zo telde Hugo zo’n 740 aanvallen op Les Misérables in de katholieke pers.
Bij de dood van zijn zoons Charles en François-Victor stond Hugo erop dat ze zouden begraven worden zonder priester of kruisbeeld, en hij legde hetzelfde vast in zijn testament.
Hoewel Victor Hugo geloofde dat het katholieke dogma verouderd en stervende was, heeft hij nooit de Kerk rechtstreeks aangevallen. Hij bleef bovendien een zeer religieus man die sterk geloofde in de kracht en de noodzaak van het gebed.
Hugo’s rationalisme kan men ook in vele van zijn werken terugvinden: Torquemada (1869, over religieus fanatisme), en, postuum verschenen, La Fin de Satan (1886) en Dieu (1891), twee onafgewerkte gedichten waarin hij respectievelijk de val en het berouw van de geest van het Kwaad en de groter wordende kennis van het goddelijke met als apotheose een God van goedheid en waarheid beschrijft.
Hugo’s tijdgenoten beschouwden deze idee als absurd en utopisch. Frankrijk en Duitsland werden immers beschouwd als erfvijanden en waren ook voorbestemd om zo te blijven. Men zou nog een volledige eeuw moeten wachten tot de Europese staten besluiten om dit beeld te realiseren.
Meerdere malen alludeerde Hugo op dit denkbeeld:
• « Plus de frontières ! Le Rhin à tous ! Soyons la même République, soyons les États-Unis d’Europe, soyons la fédération continentale, soyons la liberté européenne, soyons la paix universelle ! » (Toespraak voor de Assemblée nationale, 1 maart 1871) (Vert. : Geen grenzen meer ! De Rijn voor iedereen ! Laten we dezelfde republiek zijn, laten we de Verenigde Staten van Europa zijn, laten we de continentale federatie zijn, laten we de Europese vrijheid zijn, laten we de universele vrede zijn!)
• Toen in 1876 op gewelddadige wijze de Bosnische Serviërs en de Bulgaren, die in opstand waren gekomen tegen het Ottomaanse Rijk, onderdrukte, schreef Hugo een manifest getiteld Pour la Serbie: « Les crimes sont des crimes parce qu'il n'est pas plus permis à un gouvernement qu'à un individu d'être un assassin, c'est que l'Europe est solidaire. * Ce qui se passe en Serbie montre la nécessité des États-Unis d'Europe. Qu'aux gouvernements désunis succèdent les peuples unis. » (Vert. : Misdaden zijn misdaden omdat het niet meer geoorloofd is voor een regering dan voor een individu om een moordenaar te zijn, dat is omdat Europa solidair is. * Wat er gebeurt in Servië toont de noodzaak aan voor de Verenigde Staten van Europa. Dat op verdeelde regeringen verenigde volkeren volgen.)
Hugo was in zijn tijd al een levende legende. Zijn talent, zijn originaliteit, zijn grootsheid, zijn integriteit en zijn twintig jaar ballingschap maakten van hem een populaire figuur, bewonderd door zijn gelijken en gevreesd door de politici. Vele jonge dichters stuurden hem hun verzen op, anderen toonden zich eerder onrespectvol. Onder de politici twijfelden de linkse republikeinen aan zijn bekering en waren de monarchisten weinig vergevingsgezind jegens diegene die zijn milieu verraden had.
Charles Baudelaire had heel veel bewondering voor Hugo, maar ergerde zich aan diens politieke verzen. Die ergernis vertaalt goed de ambigue relatie die veel schrijvers hadden met Victor Hugo.
Émile Zola verweet Hugo zijn zachtheid jegens de communards zoals anderen hem zijn te sociaal georiënteerde standpunten verweten.
Gustave Flaubert stond vol bewondering voor de romantische Hugo van 1830, maar had ook wantrouwen voor de “oude krokodil” waarvan hij de filosofische uitweidingen in Les Misérables onverteerbaar vindt. Ook Baudelaire en Verlaine deelden die mening, net zoals al diegenen die meenden dat kunst en politiek engagement niet samen horen te gaan.
Zelfs na zijn dood wist Hugo nog verschillende reacties op te wekken: Charles Maurras verafschuwde hem, François Mauriac had de grootste bewondering voor hem.
Ook het tekenfilmgenre heeft zich geïnspireerd op het werk van Hugo met de Disney-tekenfilm De Klokkenluider van de Notre Dame. Er is ook een Japanse tekenfilmversie van Les Misérables uit 1979.
• Lucrezia Borgia van Gaetano Donizetti (1833), naar Lucrèce Borgia
• Il Giuramento van Saverio Mercadante (1837), naar Angelo, tyran de Padoue
• Ernani van Verdi (1844), gebaseerd op het toneelstuk Hernani
• Rigoletto van Verdi (1851), gebaseerd op Le Roi s’amuse
• La Gioconda van Amilcare Ponchielli, gebaseerd op Angelo, tyran de Padoue
Ook Hugo’s vriend Franz Liszt componeerde meerdere symfonieën geïnspireerd door zijn werk: Ce qu’on entend sur la montagne, gebaseerd op Les Feuilles d’automne en Mazeppa, gebaseerd op Les Orientales. Ook andere componisten waagden zich aan Hugo’s “verboden” werk: Georges Bizet, Richard Wagner, Camille Saint-Saëns, Léo Delibes en Gabriel Fauré.
Frans schrijver | Frans dichter | Frans politicus | Frans kunstenaar
فيكتور هوجو | Виктор Юго | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Виктор Гюго | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | ویکتور هوگو | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | ויקטור הוגו | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | ヴィクトル・ユーゴー | 빅토르 위고 | Viktoras Hugo | Viktors Igo | Виктор Иго | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Гюго, Виктор Мари | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | Виктор Иго | Victor Hugo | Victor Hugo | Victor Hugo | 维克多·雨果
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Victor Hugo".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world