Tennis is een balsport voor twee (enkelspel) of vier (dubbelspel) spelers, waarbij een kleine, meestal gele, bal met een racket over een net en binnen de speelhelft van de tegenstander(s) wordt geslagen met als doel de bal een keer vaker goed te slaan dan de tegenstander. De tennissport is ontstaan in Engeland en wordt in zijn hedendaagse vorm gespeeld sinds 1873.
De naam is evenwel afgeleid van het Franse woord "tenez!": "houd (de bal)!".
Speelgrond
Tennis wordt gespeeld op verschillende soorten ondergrond:
Typen tennis
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen recreatietennis, competitietennis en professioneel tennis of proftennis.
Competitietennis:
Overkoepelende organisaties in Nederland en België.
Competitietennis in Nederland en België.
Proftennis:
Spelregels
Het veld
Tennis court metric.svg
Het speelveld wordt in twee helften verdeeld door een net, dat in het midden standaard 91.4 cm hoog hangt en aan de zijkanten 107 cm hoog hangt. Elk van de twee speelhelften is verdeeld in drie vlakken: een achtervlak, en twee voorvlakken (service vakken).
Het veld en de diverse vakken worden gescheiden door witte lijnen, die gelden als onderdeel van het speelveld. Een geslagen bal die buiten het veldkader van de tegenstander geslagen wordt (dwz. zelfs de lijn niet meer raakt) is 'uit' en levert de tegenstander een punt op. In het enkelspel wordt het veldkader begrensd door de binnenste zijlijnen. In de dubbelspelvariant worden de buitenste zijlijnen gebruikt. (Beide zijlijnen worden samen ook wel de 'tramrails' genoemd.)
De opslag
De bal wordt net buiten de achterlijn in het spel gebracht met de opslag (Eng: service), waarbij de bal met één hand omhoog wordt geworpen en met het racket in de andere hand wordt geslagen (onderhands serveren is weliswaar toegestaan, maar wordt in het professionele tennis slechts sporadisch toegepast). De bal moet daarbij zonder het net te raken neerkomen in het voorvlak van de tegenstander, diagonaal ten opzichte van de kant waarvandaan men serveert. Indien de bal het net raakt alvorens in het correcte vak te komen moet de opslag over worden gedaan. In principe kan dit fenomeen zich tot in het oneindige herhalen, zonder dat het punt naar de tegenstander gaat. Een teruggeslagen serveerslag noemt men een
return. Een niet door de tegenstander aangeraakte, correcte serveerslag heet een
ace. Een bal die in het net wordt geslagen is logischerwijs een
netbal. Men mag eenmaal een foute service (opslag) doen zonder direct puntverlies. Bij de tweede fout gaat het punt naar de tegenstander. Men mag bij het serveren de achterlijn niet met de voet(en) raken voordat de bal geraakt is: bij een
voetfout is de service altijd fout, zelfs al komt de bal in het juiste vak. De opslagbeurt rouleert per game. Wie serveert heeft over het algemeen meer kans de game te winnen, al geldt dit in mindere mate bij dames. Verliest men de eigen opslagbeurt, dan is de tegenstander 'door de opslag gebroken' of heeft hij/zij een (service)break gerealiseerd.
Een aantal soorten slagen
- Forehand: slag waarbij de palm van de speelhand naar voren wordt gehouden.
- Backhand: slag waarbij de rug van de speelhand naar voren wordt gehouden.
- Groundstroke: lange slag, die a.h.w. het hele speelveld bestrijkt.
- Slice/Underspin: onderscheiden in forehandslice en backhandslice. Techniek waarbij achterwaarts effect wordt bereikt door de bal met een neerwaartse beweging en een achterwaarts gekanteld racket te spelen.
- Topspin: onderscheiden in forehandspin en backhandspin. Techniek waarbij voorwaarts effect wordt bereikt door de bal met een opwaartse beweging en een voorwaarts gekanteld racket te spelen.
- Dropshot: slag waarbij de speler de bal zodanig speelt dat die zo snel en steil mogelijk vlak achter het net de grond raakt en zo min mogelijk opstuit.
- Smash: slag waarbij een hoge bal (meestal zonder stuit) boven het hoofd, met kracht wordt gespeeld, recht in het veld van de tegenstander.
- Volley: slag van de bal die niet heeft gestuit, in principe met een korte beweging gespeeld vanaf een positie bij het net, je gebruikt deze slag als je aan het net staat.
Speelstijl
Spelers worden vaak getypeerd naar hun speelstijl en/of sterkste punten:
- Baseliner - speler die het liefst speelt vanaf de achterlijn (Engels: baseline). Deze speelstijl is sinds de jaren 90 van de vorige eeuw steeds populairder geworden. De ontwikkeling wordt door velen bekritiseerd omdat het minder attractief zou zijn en dus minder interessant voor het publiek. Voorbeelden: Andre Agassi en praktisch alle Spanjaarden.
- Serve-volleyer - speler die het liefst na de opslag direct naar het net komt. Voor veel tennisliefhebbers is dit de meest attractieve speelstijl. Voorbeelden: John McEnroe, Stefan Edberg, Pete Sampras, Tim Henman, Greg Rusedski, Jan Siemerink, Jacco Eltingh, Martina Navratilova, Jana Novotna.
- Serveerkanon - speler die het liefst zijn eigen games wint door voornamelijk gebruik te maken van een zeer krachtige opslag. Boris Becker was de eerste speler met die reputatie. Andere voorbeelden: Mark Philippoussis, Richard Krajicek, Greg Rusedski, Andy Roddick, Mario Ancic.
Aanvallende baseliner-Zie baseliner
De puntentelling
De punten worden geteld volgens het traditionele Britse systeem: 15, 30, 40, game, set and match.
- Een match of wedstrijd wordt gespeeld naar twee gewonnen sets, hoewel de heren in grote toernooien (Grand Slam) drie sets moeten winnen, en men dan maximaal een vijfsetter speelt. Voor vrouwen is het maximale aantal te spelen sets altijd drie, behalve met de finale van het Masterstoernooi aan het eind van het seizoen. Die wordt bij uitzondering via best-of-five beslist.
- Een set wordt gewonnen door de speler die het eerst 6 games wint, met een verschil van twee games.
- Een game wint men door vier gewonnen punten, die geteld worden als 15, 30, 40 en 'game'. Ook hier echter een verschil van twee.
- Wanneer men "sudden death" speelt is de game gewonnen na het eerstvolgende punt bij de stand 40-40(deuce).
Wedstrijdleiding
- Elke professionele tennispartij wordt geleid door een scheidsrechter, die op een verhoogde stoel aan een uiteinde van het net zit. De scheidsrechter kent de punten toe, beslist in twijfelgevallen (was de bal uit of in?), geeft de verplichte rustpauzes en spelhervattingen aan, geeft zo nodig toestemming voor blessurebehandeling, plaspauzes en shirtwisseling (dames), en houdt overenthousiaste spelers, trainers, ouders en overige toeschouwers bescheiden in toom. De scheidsrechter krijgt (als het goed is) na afloop van de partij een hand van de spelers.
- Bij een professionele tennispartij houden 8 (soms 10) lijnrechters in de gaten of de bal binnen, op, of buiten de lijnen valt: er zijn 6 lijnrechters voor de verticale lijnen en 2 (soms 4) voor de horizontale lijnen. Met roepwoorden en/of armgebaren maken ze hun waarneming duidelijk. Een 'uitbal' en een 'netbal' worden altijd hoorbaar aangegeven.
- Ballenjongens en -meisjes rapen de ballen voor de spelers op en zorgen ervoor dat de speler die de opslag heeft de nodige ballen ontvangt. Verder verlenen ze de spelers tijdens het spel en de rustpauzes wat hand- en spandiensten.
Zie ook
Externe links
- De officiële site van de Vlaamse Tennisvereniging (VTV) - http://www.vtv.be/
- De officiële site van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) - http://www.knltb.nl/
Tennis | Olympische zomersport
كرة المضرب | Тенис | টেনিস | Tenis | Tennis | Tenis | Tennis | Tennis | Αντισφαίριση | Tennis | Teniso | Tenis | Tennis | Tenis | تنیس | Tennis | Tennis | Tennis | Leadóg | טניס | Tenis | Tenis | Teniso | Tennis | テニス | ಟೆನ್ನಿಸ್ | 테니스 | Tennis | Тенис | Tenis | Tennis | Tenis | Ténis | Теннис | Tenis | Tennis | Tenis | Tenis | Tenisi | Тенис | Tennis | டென்னிஸ் | Tenis | چويلا توپ | Теніс | 網球