Straling is het uitzenden van energie als golven (elektromagnetische straling) of als deeltjes (deeltjesstraling); volgens hedendaagse kwantummechanische opvattingen is dit hetzelfde. Straling is energieoverdracht zonder dat er sprake is van direct contact.
Alfastralen worden al door een vel papier, bètastralen pas door een dunne staalplaat tegengehouden. De meeste schade veroorzaken ze als de stoffen waardoor ze worden geproduceerd geabsorbeerd worden in het menselijk lichaam (via voedsel of door inademing).
Gammastralen zijn minder ioniserend dan alfa- of bètastralen, maar hebben een groot doordringend vermogen. Bescherming tegen die stralen vraagt een dikkere laag. Ze veroorzaken schade vergelijkbaar met de schade veroorzaakt door röntgenstralen, zoals brandwonden, genetische mutaties (veranderingen aan het DNA van de cellen), en (als gevolg hiervan) soms kanker. Het menselijke lichaam biedt weerstand aan deze mutaties door de meeste gemuteerde DNA strengen als defect te herkennen en af te breken of te repareren.
Radioactief materiaal wordt overal in de natuur gevonden. Het komt voor in de bodem, in lucht, water en planten. De belangrijkste veroorzaker van aardse straling zijn de natuurlijk voorkomende isotopen van uranium en zijn vervalproducten, zoals thorium, radium, en radon. Kleine hoeveelheden van uranium, thorium, en hun vervalproducten worden overal gevonden. Sommige van deze materialen worden door het lichaam opgenomen via voedsel en water, terwijl materialen zoals radon kunnen worden opgenomen door inademing. De hoeveelheid van aardse bronnen verschilt met de plaats op aarde. Gebieden met hogere concentraties uranium of thorium in de bodem hebben een hogere achtergrondstraling.
Naast de kosmische en aardse straling, hebben alle mensen vanaf hun geboorte radioactieve Kalium-40, Koolstof-14, Lood-210 en andere radioactieve isotopen in hun lichaam. Hierin zijn de verschillen tussen mensen niet zo groot als de variatie in belasting door kosmische en aardse stralingsbronnen.
De blootstelling van een gemiddeld persoon is ongeveer 3,6 mSv/jaar, 81 % hiervan komt van natuurlijke stralingsbronnen, de overige 19 % komt van door de mens gemaakte bronnen.
Verreweg de belangrijkste bron van door de mens veroorzaakte straling wordt veroorzaakt door medische handelingen, zoals Röntgenstralen, radio-actieve medicijnen en bestralingstherapieën. Enkele van de belangrijkste isotopen die in ziekenhuizen worden gebruikt zijn jodium (I-131), technetium (Tc-99m), kobalt (Co-60), iridium (Ir-192) en cesium (Cs-137).
Daarnaast worden mensen blootgesteld aan straling van verbruiksgoederen; zoals tabak (Polonium-210), bouwmaterialen (Radium en Radon), brandstoffen (gas, olie, enz.), televisietoestellen, lichtgevende horloges en wijzers (Tritium), röntgentoestellen in scanpoortjes op luchthavens, materiaal voor wegenbouw, elektronenbuizen, starters van Tl-buizen, kousjes van gaslampen (Thorium), enz.
In mindere mate worden mensen blootgesteld aan straling ten gevolge van de hele cyclus van de nucleaire brandstof: van mijnbouw tot verwerking van uranium, tot blootstelling aan gebruikte brandstof. Het effect van deze blootstelling is nog niet betrouwbaar gemeten. Schattingen van de blootstelling zijn echter zeer laag, zodat voorstanders van nucleaire energie deze vergelijken met de mutatiekracht van het twee minuten per jaar dragen van een lange broek (omdat zelfs dit mutatie veroorzaakt). Tegenstanders gebruiken een lineair dosis-afhankelijk model om te bepleiten dat ook zulke activiteiten honderden kankergevallen per jaar veroorzaken, mondiaal gezien.
In een nucleaire oorlog zullen de gammastralen van de fallout van nucleaire wapens het grootste aantal slachtoffers veroorzaken. Onmiddellijk naast het doel, in de richting van de wind, zal de straling 30.000 röntgen per uur overschrijden. 4,5 Sv (meer dan duizend maal de achtergrondstraling) is fataal: de helft van de bevolking kan hieraan overlijden.
Beroepsmatig blootgestelde individuen worden blootgesteld overeenkomstig hun activiteiten en de bronnen waarmee ze werken. De blootstelling van deze mensen wordt zorgvuldig geregistreerd met hulp van op de kleding bevestigde instrumenten, dosimeters genoemd. Sommige isotopen van belang zijn kobalt (Co-60), cesium (Cs-137), americium (Am-241).
Enkele voorbeelden van bedrijvigheid waarbij beroepsmatige blootstelling voorkomt:
Onze kennis van het verband tussen blootstelling aan straling en de ontwikkeling van kanker bij de mens is meestal gebaseerd op bevolkingsgroepen die aan een vrij hoog niveau van ioniserende straling zijn blootgesteld (bijvoorbeeld overlevenden van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, en mensen die zijn blootgesteld geweest aan bepaalde diagnostische of therapeutische medische procedures).
Soorten kanker die vrij sterk zijn geassocieerd met blootstelling aan hoge doses straling zijn o.a. leukemie en schildklierkanker. Verder ook wel borst-, blaas-, dikke darm-, lever-, long-, slokdarm-, eierstok- en maagkanker en multipel myeloom. Van sommige andere vormen van kanker wordt een dergelijk verband wel vermoed: prostaatkanker, kanker van de neus(bij)holten, farynx- en larynxcarcionoom, en kanker van de alvleesklier. In de praktijk zal echter bij maar heel weinig van de patiënten met een van de genoemde aandoeningen in West-Europa straling een rol hebben gespeeld.
De tijdsspanne tussen de stralingsblootstelling en de openbaring van de kanker wordt de latentieperiode genoemd. Deze latentieperiode is lang, vaak tientallen jaren, en zelden minder dan een paar jaar. De kankers die zich als resultaat van stralingsblootstelling kunnen ontwikkelen zijn niet te onderscheiden van kankers die spontaan of als resultaat van blootstelling aan andere chemische carcinogenen voorkomen. Het verband kan dus op statistische gronden worden vermoed maar in een individueel geval nooit worden bewezen. Verder wijst de literatuur van het Amerikaanse National Cancer Institute erop dat andere chemische en fysische factoren en de manier van leven (bijvoorbeeld roken, gebruik van alcohol, dieet) sterk bijdragen aan het optreden van veelal dezelfde ziekten.
Hoewel straling kanker kan veroorzaken bij hoge doses, bevestigen epidemiologische gegevens van volksgezondheid het voorkomen van kanker na blootstelling aan lage doses niet (minder dan ca. 0,1 Sv (10 Rem)).
De meeste studies van beroepsarbeiders die aan chronische lage niveaus van straling boven normale achtergrond worden blootgesteld hebben geen ongunstige biologische gevolgen getoond. Maar toch veronderstelt de stralingsbeschermingsgemeenschap voorzichtigheidshalve dat om het even welke hoeveelheid straling één of ander risico kan geven om kanker en erfelijk effect te veroorzaken, en dat het risico hoger is voor blootstelling aan hogere straling. Men streeft er dus naar iedere vermijdbare blootstelling zoveel mogelijk daadwerkelijk ook te vermijden.
Een lineaire drempelloze Linear no-Treshold (LNT) dosis-effectrelatie zal volgens vele deskundigen het effect van straling overschatten omdat het de bekende reparatiemechanismen van het lichaam niet in beschouwing neemt. Dit model beschrijft het verband tussen de dosis van de straling en het voorkomen van kanker. Dit lineaire dosis-gevolg model stelt voor dat om het even welke toename van de dosis, hoe klein dan ook, resulteert in een verhoging van het risico op kanker. De LNT-hypothese is goedgekeurd door het Amerikaanse NRC als conservatief (in de zin van aan de veilige kant blijvend) model voor het schatten van het risico van de straling.
Een hoge dosis straling kan cellen direct doden, terwijl een lage dosis de genetische code (DNA) van bestraalde cellen kan beschadigen of veranderen. Een hoge dosis kan zoveel cellen doden dat de weefsels en de organen onmiddellijk beschadigd zijn. Dit kan resulteren in een snelle reactie van het hele lichaam, ook wel het acute stralingssyndroom genoemd. Hoe hoger de dosis van de straling, hoe sneller de gevolgen van straling verschijnen, en hoe hoger de kans op een dodelijke afloop.
Dit syndroom werd waargenomen bij vele atoombomoverlevenden in 1945 en bij reddingswerkers die aan de kerncentrale van Tsjernobyl werkten na het ongeval in 1986. Ongeveer 134 installatiearbeiders en brandweermannen die de brand bestreden bij de Tsjernobyl-installatie ontvingen hoge doses straling (7 tot 13,4 Sv of 700 tot 1340 Rem) en ontwikkelden acute stralingsziekte. Hiervan stierven er 28.
Alhoewel de blootstelling aan ioniserende straling een risico meebrengt, is het onmogelijk blootstelling volledig te vermijden. Straling is altijd aanwezig geweest in het milieu en in onze organismen. Wij kunnen echter onnodige blootstelling wel vermijden.
Hoewel de mens ioniserende straling niet kan voelen, is er een scala van eenvoudige en gevoelige instrumenten, geschikt om minieme hoeveelheden straling uit natuurlijke en kunstmatige bronnen te ontdekken.
De dosimeters lijken op pennen of badges, en kunnen bijv. aan iemands kleding worden bevestigd. Ze meten een cumulatieve dosis die over een periode van tijd wordt geabsorbeerd. Zij moeten periodiek vernieuwd worden, en de resultaten moeten geregistreerd worden. Voor (Nederlandse) luchtvarenden wordt vindt registratie plaats middels het achteraf correleren van de vluchtgegevens van individuele bemanningsleden met schattingen van dosisgegevens op basis van wereldwijde metingen.
Geigertellers en scintillometers meten onmiddellijk de dosis van ioniserende straling.
Er zijn vier manieren waarop bescherming tegen straling plaats kan vinden:
Ingedeeld naar bron:
Ingedeeld naar effect:
Radiació | Strahlung | Radiation | Radiado | Radiación | Säteily | Radiation | קרינה | Sugárzás | 放射線 | 방사선 | Radioaktivitet | Radiação | Radiation | Sevanje | Strålning
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Straling".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world