Stadsgeografie (Engels: urban geography, Duits: Stadtgeographie, Frans: géographie urbaine) is een deelwetenschap van de sociale geografie. Stadsgeografen richten zich op de bestudering van de ruimtelijke structuur en de daarmee samenhangende processen in steden en stedelijke gebieden. De stadsgeografie bevindt zich op het grensvlak tussen de regionale geografie en de thematische geografie. Enerzijds worden thema’s binnen de stad bestudeerd (migratie, achterstandswijken, verhuisgedrag, cultuurparticipatie) anderzijds bekijkt men de stad als geheel (structuur, geleding, functies). Stadsgeografie heeft een belangrijke link met (stedelijke) planologie.
Stadsgeografie kan worden beschouwd als een onderdeel van het grotere onderzoeksgebied van de sociale geografie, hoewel het dikwijls ook overlap kent met andere onderzoeksgebieden zoals antropologie en fysische geografie. Grofweg wordt het vaak gepositioneerd als kruisvlak tussen 4 wetenschapsgebieden:
De zienswijzen in de stadsgeografie zijn, net als in de sociale geografie, in de loop van de tijd nogal veranderd. Geen van de opvattingen uit het verleden is overigens geheel verdwenen in de toepassing van stadsgeografische inzichten. Min of meer chronologisch kunnen de volgende perspectieven worden onderscheiden (Pacione, 2005):
Burgess’ model was gebaseerd op de principes van de human ecology van de zogenaamde Chicago-school. Geïnspireerd door het sociaal-darwinisme meende men dat ook menselijke samenlevingen onderhevig waren aan processen als competitie, coöperatie, aanpassing, binnendringing en verdringing. Er zou steeds concurrentie zijn om de beste locatie voor het veiligstellen van de groepsbelangen. Op grond van veel veldwerk probeerde men zich een voorstelling te maken van het algemene geledingspatroon van een stad. Zo ontstond het concentrische zonemodel. Volgens Burgess bestond een stad uit vijf concentrische zones, met in het centrum de meest hoogwaardige activiteiten. Alle zones breiden zich voortdurend uit te koste van de omringende gebieden.
Het model van Hoyt (sectorale zonering) was gebaseerd op gegevens over huurprijzen in een groot aantal Amerikaanse steden.
Harris en Ullman stellen een meerkernenmodel voor. De stedelijke geleding was volgens hen opgebouwd rond een aantal attractiepunten of –zones (bijvoorbeeld de aanwezigheid van luxe woonwijken rondom een stedelijk park).
In Nederland hebben Amsterdamse geografen de concepten van Burgess en Hoyt getoetst bij hun onderzoek naar de woonpatronen van de Amsterdamse bevolking. De benadering van Hoyt bleek beter te passen bij de Amsterdamse situatie dan de concentrische ringen van Burgess.
De relaties tussen de steden in een gebied werden onderzocht door analyses van het transportsysteem. Dit vestigde de aandacht op factoren die van belang waren bij de vestiging van stedelijke functies. Met het baanbrekende werk van Walter Christaller over de centrale plaatsen in Zuid-Duitsland (zie: Centrale Plaatsen Theorie) begon een vloed van zogenaamde centraliteitsstudies.
Voor deze zienswijze zijn de opvattingen van Manuel Castells (La question urbaine, 1972) en David Harvey (Social justice and the city, 1973) van grote betekenis geweest.
Stedelijke gebieden zijn bij uitstek het toneel van een strijd om de schaarse ruimte. In deze benadering richt men het onderzoek op het stelsel van toewijzing bij de verdeling van woningen en bedrijfsgebouwen en –terreinen. De onderzoekers concentreren zich op de rol van de besluitvormers op de centrale posities in de stedelijke bureaucratie, op de rol van de banken en die van de projectontwikkelaars.
Na de Tweede Wereldoorlog begint de periode van de functionele stadsgeografie. Steden dienden niet op zich bestudeerd te worden, maar in relatie tot de functie die ze hadden voor de omgeving en voor elkaar. De aandacht ging uit naar het ontwerpen van classificaties van steden, waarbij vooral economische criteria werden gebruikt. In 1965 publiceerde Hendrik Jacob Keuning een kaart met stedelijke verzorgingscentra en Willem Steigenga maakte een typologie van Nederlandse steden op basis van de urbanisatiegraad (1960). Later werden typologieën ontworpen op basis van statistische kengetallen die door het CBS werden geleverd. Men onderscheidde stedelijke gemeenten, rurale gemeenten en verstedelijkte plattelandsgemeenten.
In 1962 startte SISWO een interdisciplinair onderzoek naar de ontwikkelingstendenties van de Nederlandse binnensteden. Met name de Amsterdamse binnenstad was onderwerp van analyse. Er was veel aandacht voor de sociale geleding van het stedelijk gebied (op basis van criteria als status, etnische achtergrond, woon- en leefstijl). De bevindingen van deze onderzoekingen werden op congressen aan de orde gesteld. De congressen ‘De stad in nieuwe vormen’ (1962) en ‘Urban core and inner city’ (1966) waren belangrijke ijkpunten voor het stadsgeografische onderzoek.
Jan Buursink voltooide in 1971 zijn proefschrift over Centraliteit en hiërarchie, een toepassing van de ideeën van Walter Christaller op de Nederlandse situatie. Al eerder waren de ideeën van Christaller in Nederland toegepast bij de planning van het nederzettingspatroon in de Noord-Oost polder. In de loop van de jaren zeventig bleek dat de stedelijke en regionale planning teveel het spoor van de Centrale Plaatsen Theorie had gevolgd. Het consumentengedrag en het toenemend autobezit veroorzaakten een veel diverser patroon in het ruimtelijk koopgedrag.
Op het theoretisch vlak was het werk van Gerard Hoekveld van belang. Hij onderkende in 1971 de groeiende complexiteit van de stad en trachtte een theoretisch kader aan te reiken om synthetische beschouwingen van steden mogelijk te maken (zie ook: Bollenkubus). Acht jaar later stelde Jan Buursink identieke vragen over de door elkaar lopende processen van integratie en differentiatie in steden. Valt de stadsgeografie uiteen in verschillende delen of ontwikkelt zich een urbanisatiegeografie waarin voor de westerse wereld de tweedeling tussen stads- en plattelandsgeografie vervangen kan worden? Feit is dat in de Nederlandse stadsgeografie na 1980 nauwelijks beschouwingen zijn te vinden waarin de stad als totaliteit centraal staat. Nederlandse stadsgeografen specialiseren zich op een specifiek aantal thema’s en ze laten zich daarbij leiden door concrete vragen uit beleid en planning, zoals die naar voren kwamen in de verschillende nationale nota’s over de ruimtelijke ordening. Heel veel aandacht was er voor allerlei aspecten van het urbanisatieproces in het Randstad gebied (woningmarkt, migratie, pendelstromen, dienstverlening en de arbeidsmarkt). Er was veel discussie over de zogenaamde groeikernen.
De sociaal-ruimtelijke differentiatie binnen de stedelijke gebieden werd na 1980 eveneens een belangrijk aspect van het stadsgeografische onderzoek. Studies over de ruimtelijke effecten van verschillende leefstijlen of van de daaraan gerelateerde tijdbesteding kregen de overhand naast die over segregatie onder invloed van etniciteit. Het laatste thema kende een sterke relatie met de aandacht voor stadsvernieuwing.
In het laatste decennium van de vorige eeuw kwamen er ook studies over de betekenis van kunst en cultuur. Steden als knooppunten van informatie(technologie) zijn broedplaatsen geworden van alle mogelijke vormen van cultuur. Meer en meer werd onderkend dat dit een economische factor van betekenis was. Goede voorbeelden van de economische betekenis van bijvoorbeeld een nieuw museum in een stad zijn de Stopera in Amsterdam en het Groninger Museum in Groningen.
Stadtgeographie | Urban geography | Geografía urbana | Géographie urbaine | גאוגרפיה עירונית | Urbana geografija | 都市地理学 | Geografia urbana | Urbánna geografia | 城市地理学
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Stadsgeografie".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world