Soedan (ook wel Sudan) is het grootste land van Afrika. Het grenst aan Egypte en Libië in het noorden, Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek in het westen, Congo-Kinshasa, Oeganda en Kenia in het zuiden, Ethiopië en Eritrea in het oosten, en de Rode Zee in het noordoosten.
Soedan is lid van de Arabische Liga.
Noordelijke:
Zuidelijke:
Deze 9 regio's zijn na een aantal hervormingen in 1994 hervormd tot 26 staten (wilayat):
A'ali an Nil, Al Bahr al Ahmar, Al Buhayrat, Al Jazirah, Sudan, Al Khartum, Al Qadarif, Al Wahdah, An Nil al Abyad, An Nil al Azraq, Ash Shamaliyah, Bahr al Jabal, Gharb al Istiwa'iyah, Gharb Bahr al Ghazal, Gharb Darfur, Gharb Kurdufan, Janub Darfur, Janub Kurdufan, Junqali, Kassala, Nahr an Nil, Shamal Bahr al Ghazal, Shamal Darfur, Shamal Kurdufan, Sharq al Istiwa'iyah, Sinnar en Warab.
Reeds in de jaren dertig van de twintigste eeuw ontstonden er twee varianten van het Soedanese nationalisme. De eerste groep streefde een onafhankelijk Soedan onder de Egyptische kroon na (Egypte was tot 1952 een koninkrijk), terwijl de tweede groep de banden met Egypte wilde verbreken. In 1952 verleenden de Engelsen en de Egyptenaren Soedan een zekere mate van autonomie en stelden de Soedanese onafhankelijkheid in het vooruitzicht. Premier werd Sayyid Abdel Rahman al-Mahdi van de islamitisch-democratische UMMA Partij, een afstammeling van de vorige Mahdi. President Mohammed Naguib van Egypte, die zelf half-Soedanees was, hoopte dat de Soedanezen na de onafhankelijkheid zouden kiezen voor een unie met Egypte. Het liep echter anders. Premier Ismail al-Azhari van de NUP (Nationale Uniepartij; federalistisch), premier sinds 1954, riep op 1 januari 1956 de onafhankelijkheid uit van de Republiek Soedan. Als collectief staatshoofd werd een Soevereiniteitsraad ingesteld. De regering (een coalitie van de UMMA, de NUP en de conservatieve Socialistische Republikeinse Partij) bleek niet degelijk genoeg om het land te besturen. Het christelijke en animistische (natuurgodsdienstige) Zuiden kwam reeds in 1954 in opstand tegen de (overheersend) Arabische (Noordelijke) regering in Khartoem. Deze toestand leidde tot de staatsgreep van 1958 door generaal Ibrahim Abboud. Abboud werd president en trachtte (overigens zonder succes) de zuidelijke opstand te breken. In 1964 gaf de regering het bestuur in handen van de burgerlijke partijen. De linkse Sirr al-Khatim al-Khalifah werd president en sinds 1966 was Sadig al-Mahdi (afstammeling van de negentiende eeuwse Mahdi) premier.
Weer bleek het parlementaire stelsel niet bij machte de orde en de rust in Soedan te herstellen. Ontevredenheid over het functioneren van de democratie en over het centralisme van de regerende UMMA Partij van Sadiq al-Mahdi, leidde op 25 mei 1969 tot een staatsgreep onder leiding van kolonel Jafaar Mohammed Numeiri. De activiteiten van de politieke partijen werden verboden en er werd een Revolutionaire Commandoraad opgericht waarvan de meeste leden linkse sympathieën hadden. Ook in het kabinet zaten veel linkse figuren. Numeiri nam het voorzitterschap van de Revolutionaire Commando Raad op zich. Soedan heette voortaan de Democratische Republiek Soedan. De nieuwe regering knoopte goede betrekkingen aan met de Oostblok-landen en de Sovjet-Unie, maar ook met de Arabische Staten.
Op 19 juli 1971 pleegde de communistisch gezinde generaal Babiker al-Nur Osman - een lid van de Revolutionaire Commandoraad - een staatsgreep en installeerde een communistisch georiënteerde regeringsraad. Numeiri werd door de coupplegers gevangengezet, maar wist spoedig te ontsnappen en met hulp van loyale legereenheden wist hij de coupplegers uit Khartoem te verdrijven (22 juli 1971). Deze couppoging gaf Numeiri de gelegenheid om de communistische sympathisanten uit de regering te ontslaan en de Soedanese Communistische Partij (SCP) te verbieden. Numeiri liet een nieuwe grondwet opstellen, om de oude te vervangen. Volgens de grondwet was Soedan een democratische republiek met een voor zeven jaar gekozen president (die telkens herkozen kon worden), de islam als staatsgodsdienst en de in 1972 door Numeiri opgerichte Soedanese Socialistische Unie (SSU) als enige toegestane partij. In het politburo van de SSU (waarvan Numeiri de voorzitter was) nam Numeiri de voornaamste religieuze leiders (waaronder Sadiq al-Mahdi) en enkele zuiderlingen op. Numeiri voerde sindsdien een politiek van verzoening met het zuiden, dat een grote mate van autonomie verkreeg en een op islamitische landen gericht buitenlands beleid. Pogingen van Numeiri, Gaddaffi (Libië) en Sadat (Egypte) om tot een Arabische Unie te komen, mislukten evenwel.
De buitenlandse politiek van Numeiri was er ook één van toenadering tot het westen en in het speciaal tot de Verenigde Staten van Amerika. Soedan werd in de jaren zeventig en tachtig economisch en militair steeds afhankelijker van de VS. Numeiri was één van de weinige Arabische leiders die de Egyptische politiek van toenadering tot Israël steunde. Numeiri werd daarom ook een goede vriend en bondgenoot van de Egyptische president Sadat.
Vanaf het einde van de jaren zeventig kreeg het regime van Numeiri een sterk islamitisch karakter. Leden van de (officieel verboden) UMMA Partij en de NUP kregen meer zeggenschap binnen de Soedanese Socialistische Unie. Hasan al-Turabi, een islamist, werd openbaar aanklager. Bij de verkiezingen van 1978 behaalden de 'onafhankelijken' (in feite de kandidaten van de voormalige politieke partijen) een verkiezingsoverwinning. In 1983 werd de Sjaria, de islamitische wet, ingevoerd. Dit stuitte op weerstand van het christelijke en animistische zuiden, maar ook op dat van het reformistisch-islamitische Republikeinse Broederschap (RBH). President Numeiri liet zich steeds meer adviseren door geestelijk leiders en traditionele sjeiks. De (officieel illegale) Moslimse Broederschap (MBH), waarbinnen zich naast democraten, ook fundamentalisten bevonden, werd de voornaamste bondgenoot van Numeiri's islamitische politiek. In januari 1985 werd de leider van de RBH gearresteerd en berecht wegens zijn kritiek op de Sjaria-interpretatie van het regime.
In 1983 nam Numeiri de titel Imam aan. Tegelijkertijd nam hij echter maatregelen tegen zijn voornaamste bondgenoot, de MBH, die naar de mening van Numeiri te veel invloed had gekregen. Deze openlijke aanval op de MBH zorgde voor toenemende onrust en in 1984 werd Soedan geteisterd door stakingen uit onvrede over het dictatoriale regime van president Numeiri. Toen Numeiri in april 1985 terugkeerde van een bezoek aan de VS, pleegden officieren o.l.v. generaal Abdel Rahman Mohammed Siwar al-Dahab een staatsgreep. De SSU werd verboden en Numeiri ging in ballingschap in Egypte.
De nieuwe regering richtte de Voorlopige Militaire Raad op met Siwar al-Dahab als voorzitter. Hoewel de coup een zuiver militaire aangelegenheid was, werd zij gesteund door een politiek platform dat bestond uit de Moslimse Broederschap, het Republikeinse Broederschap, de Socialistische Partij, de Democratische Unie Partij de Baath-partij, de UMMA en de NUP, de Soedanese Communistische Partij en het nieuwe Nationaal Islamitisch Front (NIF). In mei 1986 werd Ahmad Ali al-Mirghani van de Democratische Unie Partij (DUP) president. De gematigde Mahdi-leider Sadiq alMahdi werd opnieuw premier. In 1988 werd een akkoord bereikt met de Zuid-Soedanese onafhankelijkheidsbeweging (SPLM).
Dit korte democratische experiment kwam echter 30 juni 1989 abrupt tot een einde toen het leger een coup pleegde en een einde maakte an het bewind van Sadiq al-Mahdi, die gevangengezet werd. Er kwam een vijftienkoppige Revolutionaire Commando Raad voor de Nationale Redding (sinds 1993 gewoon Revolutionaire Commando Raad geheten). Voorzitter van de Raad werd generaal Omar Hasan Ahmed al-Bashir, die tevens president van de republiek werd en opperbevelhebber van het leger. De post van premier werd opgeheven, waardoor vrijwel alle macht in handen van de Revolutionaire Commando Raad kwam. Politieke partijen werden niet verboden, maar het werd hun niet toegestaan om mee te doen aan verkiezingen. Onder president al-Bashir nam niet alleen de rol van het leger toe, maar ook die van de islamitische NIF. De NIF - men mag zelf beoordelen of deze organisatie fundamentalistisch is - was actief betrokken bij de coup en voorstander van de invoering van de Sjaria. De Sjaria was reeds onder president Numeiri ingevoerd, maar nooit in zijn geheel. Bovendien was de uitvoering van de Sjaria in Zuid-Soedan door premier al-Mahdi in 1988 opgeschort in het kader van de onderhandelingen met de SPLM. Toch waren de betrekkingen tussen de Revolutionaire Commando Raad en het NIF in begin nog niet zo hecht. Toch zocht president al-Bashir in de loop van 1990 contact met de NIF, wat het begin van haar machtsinvloed op het staatsbestel werd. In 1991 werd de Sjaria opnieuw van kracht, behalve in Zuid-Soedan. NIF_voorzitter Hasan al-Turabi, de voormalige algemeen aanklager onder Numeiri (hij is overigens ook familie van Sadiq al-Mahdi en afstammeling van een andere Mahdi dan de negentiende eeuwse Mahdi), werd één van de sleutelfiguren van het nieuwe regime, ofschoon hij tot 1996 niet eens tot de regering behoorde. In 1992, na de oprichting van een parlement (Nationale Assemblée), werden alle parlementszetels gevuld met leden van de Nationaal Democratische Alliantie (NDA). In werkelijkheid waren/zijn bijna alle leden van de NDA aanhangers en/of leden van het NIF.
De burgeroorlog in het zuiden ging gewoon door (sindsdien ook voorgesteld als een jihad). De SPLM en Sadiq al-Mahdi (inmiddels vrijgelaten) probeerden in 1993 gezamenlijk een staatsgreep te plegen, die echter stuk liep. Hierna verhevigde de burgeroorlog zich en bereikte daarna een piek. (Zie voorts, hieronder; Conflict in Darfoer)
Op 9 januari 2005 hebben de twee belangrijkste strijdende partijen, de SPLA en de regering in Khartoem een vredesovereenkomst getekend.Dit akkoord staat bekend als "the Comprehensive Peace Agreement"(CPA). Het akkoord bestaat uit 6 protokollen:
Binnen drie jaar dienen er verkiezingen gehouden te worden en na 6 jaar heeft er een referendum plaats waarbij de bevolking van Zuid Soedan zich mag uitspreken of Zuid Soedan als een onafhankelijk staat, of als deel van Soedan wil voortbestaan.
De huidige president is Omar Hasan Ahmad al-Bashir.
Soedan | ሱዳን | Sudán | Sudan | السودان | Sudán | Судан | Sudan | Sudan | Súdán | Sudan | Sudan | Sudan | Sudan | Sudano | Sudán | Sudaan | Sudan | سودان | Sudan | Soudan | Sudan | Sudán - السودان | סודאן | सूडान | Sudan | Soudan | Szudán | Sudan | Sudan | Súdan | Sudan | スーダン | 수단 | Sudan | Soudan | Sudanas | Sudāna | Судан | Sudan | Sudan | Sudan | Sudan | Sodan | Sudan (państwo) | Sudão | Sudan | Sudan | Судан | Sudan | Sudan | Sudán | Sudan | Sudani | Судан | Sudan | Sudan | ประเทศซูดาน | Sudan | Sudan | سۇدان | Судан | Sudan | 苏丹共和国 | Sudan