Prussian Homage.jpg. Schilderij van Jan Matejko.]] Acprussiamap2.gif | Acprussiamap3.gif
Pruisen (ook wel Pruissen; Duits: Preußen; Oud-Pruisisch: Prūsa; Pools: Prusy; Litouws: Prūsija; Latijn: Prussia, Borussia of Prutenia) was een land in Midden- en West-Europa dat met name in de achttiende en negentiende eeuw een grote rol speelde in de Europese geschiedenis.
Pruisen was van oudsher het gebied van de West-Baltische stam de Pruisen, gelegen tussen Achter-Pommeren en Koerland en ongeveer overeenkomend met de latere provincies Oost-Pruisen en West-Pruisen. Het werd in de dertiende eeuw veroverd door de Duitse Orde en in 1525 een wereldlijk hertogdom onder het Huis Hohenzollern, dat in 1701 tot koninkrijk werd verheven. Vanaf de achttiende eeuw werd de benaming Pruisen gebruikt voor het gehele Hohenzollern-rijk en de republikeinse opvolger daarvan, een staat die sinds de achttiende en negentiende eeuw grote delen van Noord- en West-Duitsland en het huidige Noord- en West-Polen omvatte. Onder Pruisische leiding kwam in 1871 het Duitse Keizerrijk tot stand. Na de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog werd de staat Pruisen in 1947 formeel opgeheven.
In de tiende eeuw kwam het Pruisenland in de invloedssfeer van de zich uitbreidende Duitse en Poolse staten. De Piast Mieszko I, hertog der Polanen, verwierf het gebied in deze eeuw als leen van keizer Otto I. Mieszko's opvolger Bolesław I zond in 997 Adalbert van Praag met een leger naar het gebied om de heidense Pruisen te kerstenen en te onderwerpen. Ze drongen Bolesławs legers echter terug. Adalbert stierf hierbij als martelaar en werd in 999 heilig verklaard.
De Duitse Orde bevolkte het gebied sinds de dertiende eeuw met Duitse en Nederlandse maar ook Kasjoebische, Mazovische en Poolse kolonisten. De invloed van de gedecimeerde oude Pruisen werd hierdoor nog verder teruggedrongen. In 1260 brak de Grote Pruisische Opstand uit, waarin het volk een laatste keer zijn vrijheid trachtte te herwinnen. Na aanvankelijke successen werd de opstand echter op zeer bloedige wijze neergeslagen. Sinds het midden van de veertiende eeuw was Pruisen overwegend Duitstalig. De Oud-Pruisische taal hield aanvankelijk nog in enige afgelegen gebieden stand, maar verdween in de zeventiende eeuw geheel.
Het Pruisen van de Duitse Orde bloeide in de veertiende eeuw sterk op. Het bestuur was competent, de handel floreerde, steden als Danzig en Koningsbergen groeiden snel en de bevolking was relatief rijk. Als hoogtepunt in de geschiedenis van de Ordestaat geldt de regeringsperiode van grootmeester Winrich van Kniprode (1352-1382).
Hierna raakte Pruisen echter in verval. De inheemse aristocratie verdroeg de vreemde overheersing steeds slechter - de Orde rekruteerde regeringsfunctionarissen bewust uit het westen en niet uit de plaatselijke bevolking - en het land raakte verwikkeld in een reeks oorlogen met Polen en Litouwen. Władysław II Jagiełło en Vytautas de Grote versloegen de Duitse Orde in 1410 in de Slag bij Tannenberg. Na beide vredes van Thorn (1411 en 1466) resteerde de Orde nog slechts het oostelijke deel van Pruisen, dat nu bovendien Polen als leenheer moest erkennen. Het westen, met de steden Danzig (Gdańsk), Thorn (Toruń), Mariënburg (Malbork) en Elbing (Elbląg), kwam als Koninklijk Pruisen aan Polen. Het kwam ongeveer overeen met de latere provincie West-Pruisen, het resterende gebied met Oost-Pruisen. De zetel van de Orde werd na de annexaties verplaatst van Mariënburg naar Koningsbergen, dat tot 1945 de hoofdstad van het gebied zou zijn.
Albrecht werd in 1568 opgevolgd door zijn zoon Albrecht Frederik (1568-1618), terwijl Joachim II Hector, keurvorst van Brandenburg, mede met het gebied werd beleend. Na Albrecht Frederiks dood werden Pruisen en Brandenburg definitief in één hand verenigd onder Joachims achterkleinzoon Johan Sigismund (1618-1619). Brandenburg behoorde echter tot het Heilige Roomse Rijk, terwijl Pruisen nog steeds het opperleenheerschap van Polen moest erkennen.
Johan Sigismunds kleinzoon Frederik Willem (1640-1688), de Grote Keurvorst, centraliseerde het bestuur, voerde economische hervormingen door, beperkte de macht van adel en steden en bouwde een efficiënt en sterk leger op. In de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kwam Pruisen er relatief goed van af, hoewel de bezetting van de havensteden door Gustaaf II Adolf een aanzienlijke inkomstenderving betekende. Frederik Willem verkreeg bij de Vrede van Westfalen (1648) Achter-Pommeren, Kammin, Minden, Halberstadt en de voogdij over Magdeburg. Pruisen had zeer te lijden onder de Noordse Oorlog (1655-1660), waarin het de Grote Keurvorst met de verdragen van Wehlau (1657) en Oliva (1660) echter wel lukte het eindelijk aan het Poolse leenheerschap te onttrekken.
Frederik Willems zoon Frederik II de Grote (1740-1786) bouwde Pruisen uit tot Europese grootmacht. Hij viel al in het jaar van zijn troonsbestijging het welvarende Silezië binnen en hield in de daaropvolgende Silezische Oorlogen tegen Oostenrijk stand. Na de met de Derde Silezische Oorlog samenvallende Zevenjarige Oorlog (1756-1763), waarin Pruisen slechts door een verdrag met Rusland standhield, wist het Silezië in de Vrede van Hubertusburg (1763) te behouden. Het feit dat Pruisen zich tegenover drie grootmachten had weten staande te houden verhief het land tot de status van grootmacht.
Fryderyk 2.jpg]] Zijn latere regeringsjaren besteedde Frederik aan het ontwikkelen van zijn staat. Hij fundeerde het sterke leger op een grote bureaucratie en herstelde het in de Zevenjarige Oorlog deels verwoeste land door kolonisering, het droogleggen van moerassen en het graven van kanalen en hervormingen in de geest van het verlicht absolutisme.
Frederik de Grote verwierf in de eerste Poolse deling (1772) West-Pruisen en het Ermland, waardoor Brandenburg en Pruisen een aaneengesloten geheel vormden. Aangezien het gehele oude Pruisen nu in het bezit van de Hohenzollern was, mocht hij sindsdien de titel koning van Pruisen voeren. De tweede deling (1793) bracht Pruisen, inmiddels onder Frederik Willem II (1786-1797), het gebied Zuid-Pruisen en de steden Danzig en Thorn. Bij de derde deling (1795) verkreeg het Nieuw-Oost-Pruisen en Nieuw-Silezië.
Frederik Willem II was een man van minder kaliber dan zijn voorganger en in veel opzichten diens tegendeel. In 1787 viel hij naar aanleiding van de aanhouding bij Goejanverwellesluis van zijn zuster Wilhelmina de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen, een dure en voor Pruisen nutteloze veldtocht, waardoor daar de stadhouderlijke macht werd hersteld. Met de censuur- en religieverordening van 1788 onderwierp hij pers, onderwijs en religie aan een strenge staatscontrole.
De neutraliteitspolitiek van Frederik Willem III (1797-1840) leidde in de eerste jaren tot internationale isolatie en afhankelijkheid van Frankrijk. Zijn land verkreeg echter door de besluiten van de Reichsdeputationshauptschluss in 1803 wel een aanzienlijke gebiedsuitbreiding, met onder meer de bisdommen Paderborn, Hildesheim en het grootste deel van Münster. Frankrijk bood Pruisen in 1803 ook het keurvorstendom Hannover aan, maar Frederik Willem liet zich niet uit zijn neutraliteit weglokken: annexatie van dit land zou oorlog met Engeland betekenen. Na Oostenrijk en Rusland in de Slag bij Austerlitz (2 december 1805) te hebben verslagen, drong Napoleon Pruisen een bondgenootschap op. Pruisen aanvaardde dit in februari 1806 en annexeerde Hannover. Hierdoor vond het zich eigenlijk tegen zijn wil naast Frankrijk in een oorlog met Engeland.
FWIII.jpg]] Frederik Willem sloot in juli achter Napoleons rug om echter een verdrag met Rusland, waarop de Franse keizer reageerde met een opmars in Thüringen. Pruisen mobiliseerde hierop en Napoleon antwoordde met een invasie. Het lot van het eerstgenoemde land was snel bezegeld: de Pruisische strijdkrachten, onder opperbevel van Karel Willem Ferdinand van Brunswijk, leden in de Slag bij Jena en Auerstedt (10-14 oktober 1806) verpletterende nederlaag. Napoleon hield op 27 oktober zijn intocht in Berlijn. Het hof vluchtte naar Oost-Pruisen. Frederik Willem moest op 9 juli 1807 de Vrede van Tilsit sluiten, waarbij Pruisen - slechts op voorspraak van tsaar Alexander I - weliswaar bleef voortbestaan, maar meer dan de helft van zijn grondgebied kwijtraakte. De aanwinsten uit de tweede en derde Poolse deling kwamen grotendeels aan het Hertogdom Warschau. Pruisen moest zich bovendien aan het Continentaal Stelsel conformeren en de grootte van het leger sterk reduceren.
Om zijn sterk verzwakte staat te reorganiseren stelde Frederik Willem III de hervormers Heinrich Friedrich Karl vom und zum Stein, Wilhelm von Humboldt, Karl August von Hardenberg, August Neidhardt von Gneisenau en Gerhard von Scharnhorst aan. De lijfeigenschap werd afgeschaft (1807), het onderwijsstelsel heringericht, een algemene dienstplicht en zelfbestuur voor de steden ingevoerd (1808) en een begin gemaakt met de emancipatie van de joden (1812). In 1809/1810 werd op initiatief van Humboldt de Universiteit van Berlijn (thans Humboldt-Universiteit) gesticht.
Na Napoleons mislukte Russische veldtocht zag Pruisen, waar het nationalisme door de Franse aanwezigheid en de hervormingen sterk was opgekomen, de kans weer tegen Frankrijk ten strijde te trekken. Het streed met een leger van 280.000 man in de Bevrijdingsoorlogen en droeg in 1815 onder Gebhard Leberecht von Blücher beslissend bij aan Napoleons ondergang in de Slag bij Waterloo.
Sinds 1815 domineerde Pruisen met Oostenrijk de in dat jaar in het leven geroepen Duitse Bond, waarin de twee Duitse grootmachten samenwerkten om de politieke status quo te behouden door liberale en nationalistische elementen de kop in te drukken. Alleen de economische vereniging van Duitsland, voor het in tweeën gedeelde Pruisen van groot belang, bleef zich ontwikkelen. In 1834 kwam op Pruisisch initiatief de Zollverein tot stand, waarvan vrijwel alle Duitse staten lid werden.
De troonsbestijging van Frederik Willem IV (1840-1861) leek een liberale periode in te luiden. Hij beëindigde de demagogenvervolgingen, versoepelde de censuur enigszins en liet verschillende liberale denkers vrij. In 1847 riep hij de Verenigde Landdag samen. Deze landdag had echter slechts zeer beperkte bevoegdheden en de koning had in zijn openingsrede expliciet gesteld dat hij de invoering van een constitutioneel systeem niet zou dulden.
Kaiserdeputation berlin 1849.jpg biedt Frederik Willem IV op 3 april 1849 het keizerschap aan]]
In de politiek van de Duitse Bond (die in 1848 de facto uiteenviel) voegde Frederik Willem IV zich aanvankelijk naar de besluiten van het liberale Frankfurter Parlement. Hij steunde het parlement in de Sleeswijk-Holsteinse kwestie door troepen naar Sleeswijk en Holstein te zenden, maar sloot op 26 augustus 1848 zonder het parlement daarin te kennen met Denemarken het Verdrag van Malmö. Toen het Frankfurter Parlement hem in 1849 de Duitse keizerskroon aanbood, distantieerde hij zich geheel van de liberalen door te verklaren dat hij de kroon niet van een volksvertegenwoordiging, maar alleen uit handen van de andere Duitse vorsten kon ontvangen. Dit betekende de genadeklap voor de liberale beweging.
BrandenburgManteuffelRadowitz.png, Otto Theodor von Manteuffel en Joseph von Radowitz]] Frederik Willem trachtte hierna het voorstel van zijn minister van Buitenlandse Zaken Joseph von Radowitz te verwezenlijken: een "Duitse Unie" onder Pruisische leiding, uitgaande van de vorsten, los verbonden met Oostenrijk. Hij sloot op 26 mei 1849 het driekoningsverbond met Saksen en Hannover, waarbij zich de meeste kleine Duitse staten aansloten. Toen Oostenrijk, dat aanvankelijk zijn handen vol had gehad aan de revolutie in Hongarije, zich eind 1849 weer met Duitse zaken kon bezighouden, was het echter snel afgelopen met de Pruisische plannen. Saksen en Hannover sloten in februari 1850 met Beieren en Württemberg het vierkoningsverbond, dat met Oostenrijk naar een heroprichting van de Duitse Bond streefde. Om tot een grondwet voor de geplande unie te komen daagde in maart en april 1850 nog wel het Erfurter Parlement, dat echter werd geboycot door Saksen en Hannover, alsmede (vanwege het ontbrekende democratische element) door de liberalen. Op 16 mei 1850 kwam de Bondsdag van de Duitse Bond weer bijeen. Pruisen werd in het Verdrag van Olmütz (29 november) uiteindelijk gedwongen zijn verenigingspolitiek op te geven en zich te schikken in een heroprichting van de Duitse Bond.
De enige winst die Pruisen uit de Maartrevolutie haalde was het verwerven van de vorstendommen Hohenzollern-Sigmaringen en Hohenzollern-Hechingen, waarvan de vorsten in 1849 troonsafstand hadden gedaan ten gunste van hun Pruisische verwant Frederik Willem.
Frederik Willem deed in deze periode weinig om de internationale positie van zijn land te versterken. Pruisen kocht in 1853 een gebied aan de Jadeboezem van het groothertogdom Oldenburg, waar het in 1856 de oorlogshaven Wilhelmshaven aanlegde. Het land bleef in de Krimoorlog (1853-1856) evenals Oostenrijk neutraal, maar stond stilzwijgend aan de kant van Rusland, terwijl Oostenrijk aan westerse zijde stond.
Wilhelm1.jpg]] De liberalen, sinds 1861 verenigd in de Deutsche Fortschrittspartei, wilden echter geen geld wilde vrijmaken voor de door Wilhelm en zijn minister van Oorlog Albrecht von Roon voorgestelde nieuwe legerwet (o.a. langere diensttijd en bewapening). Dit aanvankelijk oppervlakkige conflict groeide, aangewakkerd door conservatieven en liberalen, uit tot een Verfassungskonflikt, waarin geen van beide partijen tot een compromis bereid was. Het nam zulke proporties aan dat Wilhelm op het hoogtepunt ervan zelfs aan aftreden dacht. Hij schoof het liberale ministerie-Hohenzollern op 17 maart 1862 echter terzijde ten gunste van een nieuwe regering onder premier Adolf zu Hohenlohe-Ingelfingen, die echter al op 23 september werd vervangen door Otto von Bismarck. Deze slaagde erin vier jaar lang zonder parlement te regeren en beëindigde het conflict uiteindelijk in het voordeel van de kroon.
Toen de Sleeswijk-Holsteinse kwestie in 1863 weer acuut werd, drukte Bismarck met Oostenrijk militaire interventie van de Duitse Bond door. Na de Pruisisch-Oostenrijkse overwinning in deze Tweede Duits-Deense Oorlog (1864) werden de hertogdommen Sleeswijk, Holstein en Lauenburg conform het Verdrag van Gastein (1865) door de twee overwinnaars gemeenschappelijk bestuurd. Voor Pruisen bood dit perspectief tot gebiedsuitbreiding in Noord-Duitsland en bovendien een twistappel waarmee een oorlog met Oostenrijk kon worden uitgelokt.
BismarckRoonMoltke.jpg, Albrecht von Roon en Helmuth von Moltke]] Dit gebeurde in 1866 toen Bismarck Oostenrijk ervan beschuldigde het Verdrag van Gastein geschonden te hebben. De door Oostenrijk voorgestelde mobilisering van de troepen van de Duitse Bond leidde tot een Pruisische oorlogsverklaring. De Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866), die in werkelijkheid om de hegemonie in Duitsland ging, deed de Duitse Bond definitief uiteenvallen. Pruisen, onder Helmuth von Moltke, versloeg Oostenrijk beslissend in de Slag bij Königgrätz (3 juli 1866). Frans ongenoegen over de Pruisische overwinning leidde ertoe dat Bismarck Oostenrijk en de Zuid-Duitse staten in de Vrede van Nikolsburg (26 juli 1866) en de Vrede van Praag (23 augustus 1866) moest ontzien. Pruisen annexeerde wel Sleeswijk, Holstein en Lauenburg, alsmede de Noord-Duitse Oostenrijkse bondgenoten Hessen-Kassel, Nassau, Hannover en Frankfurt. Sindsdien vormde Pruisen een aaneengesloten geheel. Reeds gedurende de oorlog had het land een nieuwe statenbond voorbereid, de door Pruisen geleide Noord-Duitse Bond, waarvan alle Duitse staten ten noorden van de Main lid werden. Wilhelm I werd bondspresident en Bismarck bondskanselier.
In het conflict met Frankrijk om de kandidatuur van prins Leopold van Hohenzollern-Sigmaringen (uit de katholieke tak van het Pruisische koningshuis) voor de vacante Spaanse troon lokte Bismarck in 1870 met het Emser Depesche een Franse oorlogsverklaring uit. In deze Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) sloten ook de Zuid-Duitse staten zich bij Pruisen aan. De strijd besliste zich in Pruisisch voordeel in de Slag bij Sedan (1 september 1870), waarbij Napoleon III werd gevangengenomen. Op 18 januari 1871 werd in de Spiegelzaal te Versailles het Duitse Keizerrijk uitgeroepen met Wilhelm I als "Duits keizer" en Bismarck als rijkskanselier.
Deutsches Reich 1925 b.png In de Weimarrepubliek bleef Pruisen als deelstaat gehandhaafd. Hoewel het binnen het Rijk aan invloed verloor, bleef de traditionele Pruisische elite toch sterk in het landelijke bestuur vertegenwoordigd. Van 1919 tot 1932 regeerden in Pruisen democratisch gezinde coalities van SPD, Zentrum en DDP (1921-1925 ook DVP), meestal onder de Oost-Pruis Otto Braun. Rijkskanselier Franz von Papen plaatste Pruisen in 1932 met een noodverordening (de zogenaamde Preußenschlag) onder direct gezag van het Rijk.
Na de machtsovername van Adolf Hitler werd Hermann Göring premier van Pruisen (1933). De gelijkschakelingswet (1933) en de rijksstadhouderswet (1935) beroofden de deelstaat van zijn zelfstandigheid, al bleef Pruisen formeel voortbestaan.
Pruisen werd in 1937 conform het Groß-Hamburg-Gesetz uitgebreid met de voormalige vrije stad Lübeck. De in de Tweede Wereldoorlog geannexeerde Poolse gebieden werden echter overwegend niet opnieuw bij Pruisen ingedeeld, maar kregen de status van rijksgouw.
Prussia (political map before 1905).jpg
De provincies waren onderverdeeld in Regierungsbezirke en die op hun beurt in districten (Landkreise) en stadsdistricten (Stadtkreise). Justitie, leger en kerk waren parallel aan deze indeling georganiseerd:
| Bestuurlijke eenheid | Justitie | Leger | Kerk |
|---|---|---|---|
| Provincie | Gerechtshof | Korps | Generaal-superintendent |
| Regierungsbezirk | Arrondissementsrechtbank | Divisie | Superintendent |
| District | Kantongerecht | Regiment | |
De in 1849 ingelijfde vorstendommen Hohenzollern-Sigmaringen en Hohenzollern-Hechingen vormden sinds 1850 de Hohenzollernsche Lande, die vrijwel alle bevoegdheden van een provincie bezaten. Annexaties in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog brachten Pruisen in 1867 de provincies Hannover, Hessen-Nassau en Sleeswijk-Holstein. Pruisen moest conform het Verdrag van Versailles aanzienlijke stukken grondgebied afstaan. Uit de resterende delen van Posen en West-Pruisen werd in 1922 de provincie Grensmark Posen-West-Pruisen samengesteld.
In 1938 werd de Grensmark Posen-West-Pruisen opgeheven en Neder- en Opper-Silezië weer verenigd. Silezië werd in 1941 wederom opgesplitst. Hessen-Nassau werd in 1944 opgedeeld in Keur-Hessen en Nassau, de provincie Saksen in Halle-Merseburg en Magdeburg. Deze laatste twee werden in 1945 met Anhalt verenigd tot Saksen-Anhalt.
In Beieren worden inwoners van Noord-Duitsland nog steeds vaak pejoratief Preißn genoemd. Ook het scheldwoord Saupreiß (rot-Pruis) is nog algemeen gangbaar als aanduiding voor Noord-Duitsers.
Preussen | Preußen | Prussia | Prusio | Prusia | Preussi | Prusse | פרוסיה | Prusia | Prússland | Prussia | プロイセン | Prūsija | Preußen | Preussen | Prusy | Prússia | Пруссия | Prussia | Preussen | 普魯士