Oudnederlands is de taal die gesproken en geschreven werd tijdens de vroege middeleeuwen (ca. 500 tot 1150) in de gewesten die nu Nederland en België vormen en aan de Franse Noordzeekust (het zogenoemde Frans-Vlaanderen, nabij Duinkerke). De term wordt gebruikt ter onderscheid van Middelnederlands en Nieuwnederlands om de verschillende fasen waarin "het Nederlands" zich ontwikkeld heeft enigszins te kunnen periodiseren. Eigenlijk is het Oudnederfrankisch als voorouder van het Nederlands te beschouwen.
Oudnederlands is dus iets beduidend anders dan "oud-Nederlands", waarmee de meeste gewone mensen alle verouderde taalvormen bedoelen, zelfs taalvormen die ruim na de Tweede Wereldoorlog nog gebruikelijk waren.
Van die Oudnederlandse fragmenten is niet altijd eenduidig vast te stellen of het om een vorm van Nederlands gaat of om Oudsaksisch, Oudfries of Oudnederfrankisch - of vaak zelfs maar of het Fries, Saksisch of Frankisch is. Wat het laatste betreft: dit komt door de fragmentarische overlevering en doordat de dialecten toen veel dichter bij elkaar stonden. Wat het eerste betreft doordat het onderscheid in die tijd, in de periode dat de standaardtalen van de verschillende Germaanse talen zich nog niet ontwikkeld hadden, simpelweg geen betekenis had. De verschillende groepen waren toen dus wel te onderscheiden, maar niet te scheiden van het dialectcontinuüm van het grotere geheel van Continentale Germaanse Dialecten.
"Maltho thi afrio lito" ('Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije')
De formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, d.w.z. een halfvrij persoon. De Lex salica bevat veel losse woorden (de zogenoemde Malbergse glossen), die altijd al als Oudnederlands werden beschouwd. Het werk bevat ook, maar dit is nog nooit expliciet naar voren gebracht, een bepaalde opeenvolging van glossen, die tezamen een zinnetje vormen.
Het beroemdste 'Oudnederlandse' zinnetje
De bovengenoemde zin is onlangs bekendgemaakt als de 'nieuwe oudste Nederlandse zin', maar is mogelijk geen Oudnederlands maar Oudengels of Oud-Kents. Professor Luc De Grauwe beweert dat elk woord een Oud-Kentse vorm kan zijn. Zijn vertaling is dan ook anders dan deze die meestal gegeven wordt: 'Laten nu nog alle vogels nesten gebouwd hebben, behalve ik en jij, wat verwachten jullie nu?'
De gangbare theorie onder de geleerden is dat het gaat om een penneprobeersel (Latijn: probatio pennae) van een verliefde (Vlaamse) monnik in een Engels klooster. Het zinnetje is gevonden tussen andere losse schrijfsels achterin een Oudengels prekenhandschrift. Onder die fragmenten is ook de Latijnse "vertaling" van dit zinnetje te vinden:
De Leidse Willeram, ook wel Egmondse Williram genoemd, is de langste tekst uit die periode, die duidelijk Oudnederlandse kenmerken vertoont. Het handschrift waarin deze tekst is overgeleverd, bevindt zich in de Leidse Universiteitsbibliotheek. De tekst is een vertaling/bewerking van een commentaar op het bijbelse boek Hooglied, oorspronkelijk vervaardigd door een zekere Williram, een monnik uit Beieren. De tekst is uit de 11e eeuw.
Uit 1130 stamt het in het damesklooster te Munsterbilzen opgestelde zinnetje "Tesi samanunga vvas edele unde scona (et omnium virtutum pleniter plena) ". Het volgt op een lijst van namen van kloosterlingen in een negende-eeuws evangeliarium.(bibl. Bollandisten Ms 299)
Verder zijn er enkele doopbeloften, toverbezweringen, runeninscripties en een groter aantal (plaats)namen en glossen overgeleverd.
In het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden wordt momenteel gewerkt aan een Oudnederlands Woordenboek. De belangrijkste bronnen voor dat woordenboek zijn: de Wachtendonckse Psalmen, de Leidse Willeram oftewel Egmondse Williram, de zg. Mittelfränkische Reimbibel, de bovengenoemde kleinere fragmenten en een schat aan glossen en namen in Latijnse handschiften.
Een ander opvallend kenmerk is het veelvuldig gebruik van naamvallen. Ook het Middelnederlands gebruikt naamvallen, maar de vormen in het Oudnederlands zijn sterker onderscheiden, zoals bijvoorbeeld het zelfstandige naamwoord "dag":
enkelvoud:
meervoud:
Vergelijkbare rijtjes zijn te maken voor bijvoeglijke naamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden ("die" en "dat") en persoonlijke voornaamwoorden.
Het meest in het oog lopende verschil is het verschijnsel dat vocaalreductie wordt genoemd: in het Oudnederlands vinden we veelal ronde vocalen in de auslaut, die in het Middelnederlands afgezwakt worden tot een sjwa (een stomme -e). Voorbeelden:
De voorbeelden zijn ontleend aan het hoofdstuk van A. Quak in Van den Toorn e.a. (1997): zie literatuurverwijzingen.
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Oudnederlands".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world