Een oester is een eetbaar weekdier dat in ondiepe, warme wateren van de oceaan leeft. De schelp bestaat uit twee kleppen, de bovenste is vlak en de onderste gebogen. De buitenkant is ruw, grijskleurig en hand; aan de binnenkant bevindt zich het vlees dat kan variëren van romig beige tot grijskleurig. De smaak varieert van zout tot zacht.
Aangezien de oester het grootste deel van zijn het leven (behalve in het larvale stadium) met een kleverige substantie vastgekleefd zit aan een onderlaag van schelpen, rotsen, of wortels is de voet rudimentair. Sommige soorten zijn eenslachtig en worden de eitjes in het water gelegd en bevrucht; bij andere soorten is het dier hermafrodiet en worden de eieren in de schelp gelegd. Slechts een klein deel van de miljoenen gelegde eieren overleeft. De grote aantallen vrij-zwemmende larven zijn voedsel voor vissen en andere dieren. Nadat de oester volwassen wordt, wordt het vaak een slachtoffer van de roofzucht van zeesterren en andere vijanden.
De meeste soorten zijn te klein om te kunnen worden gegeten, maar de Amerikaanse of gewone oester kan 5–15 cm groot worden. Deze oesters worden gevangen of gekweekt, met name in de Verenigde Staten (zowel aan de oost- als westkust). In de Atlantische Oceaan worden oesters vooral gekweekt in de gebieden van baaien van Delaware en Chesapeake en in de wateren rond Long Island, aan de kust van de Golf van Louisiana. In warme wateren groeien zij in 5,5 jaar tot het gewenste formaat; in koelere wateren duurt de groei ongeveer 4 tot 5 jaar. Het Nederlandse centrum van de oesterkweek is Yerseke.
De pareloester is wijdverspreid in warmere zeeën. De grote pareloester, waarvan de parel wordt gevangen, kan 30 cm groot worden.
Вустрыцы | Østers | Austern | Oyster | Huître | Ostro | カキ (貝) | 굴 | Ööstern | Ostrygi | Ostra | Ostrige | Ostron | 牡蠣 | Ô-á