article

Het Limburgs is een groep West-Germaanse dialecten, die hun hoofdverspreidingsgebied hebben in Belgisch en Nederlands Limburg. Vaak wordt de term zuiver of hoofdzakelijk geografisch gebruikt - 'Limburgs' verwijst dan naar alle in de beide Limburgen inheemse dialecten. Taalkundig gedefinieerd is Limburgs de naam van de Zuidoost-Nederfrankische dialecten, die inderdaad in het leeuwendeel van de Limburgen worden gesproken en een min of meer samenhangende groep vormen. Sommigen zien daarom Limburgs als aparte taal.

Definitie


Zoals boven gezegd komt het Limburgs overeen met de Zuidoost-Nederfrankische dialecten. De duidelijkste en minst omstreden begrenzing van het Limburgs vormt daarmee de Benrather Linie, de grens tussen make(n) ten noordwesten en mache(n) ten zuidoosten en volgens de meeste definities de grens tussen Nederduitse en Middelduitse dialecten. Daarmee wordt al een klein stukje van Nederlands Limburg afgesneden, namelijk de plaatsen Kerkrade, Bocholtz en Vaals, terwijl in Simpelveld beide vormen voorkomen. Deze dialecten zijn niet Limburgs maar Ripuarisch. Het Kerkraads zal echter in het volgende betoog wel hier en daar aangehaald worden, omdat de overgang zeer vloeiend is en de dialecten net ten noordwesten van de Benrather Linie er duidelijke verwantschap mee hebben.

Over de grenzen in het noorden en westen bestaat minder eenstemmigheid. Een veelgebruikt criterium is de tweetonigheid: Limburgs is in beperkte zin een toontaal (zie onder) en de grens van de tweetonigheid wordt vaak aanvaard als criterium of een dialect nog Limburgs mag heten of eerder Brabants. Een probleem hierbij is dat veel dialecten, m.n. aan de randen van het Limburgse taalgebied, wel de twee tonen kennen maar niet deze niet betekenisonderscheidend gebruiken: de overgang van toontaal naar niet-toontaal is dus vager men zou denken.

Een ander, ouder criterium is de Uerdinger Linie: de grens tussen ik en ich, mij en mich en ook/ouk en ooch/ouch. Die grens levert heeft echter als probleem dat er zich maar drie woorden naar richten. Zo zou het Tienens een Limburgs dialect zijn, terwijl het behalve de woordjes ich en mich geheel Zuid-Brabants van aard is, en zou het zeer Limburgse Venloos juist weer geen Limburgs moeten zijn. Bovendien is ook de Uerdinger Linie vager dan men zou denken: In het noorden van Nederlands Limburg splitst er zich naar het noorden een takje af voor de oppositie tussen mich en meej (zodat men in Venlo en Arcen ik en mich zegt) en in Belgisch Limburg loopt de grens tussen ook en ooch weer veel oostelijker dan die tussen iech en iek en miech en mij. Bij Duitse variatielinguïsten heeft de Uerdinger Linie nog altijd een belangrijke status.

Een derde lijn vormt slechts een deel van de westgrens van het Limburgs: de Getelijn. Dit is geen echte isoglosse, meer een bundel van op zich onbelangrijke isoglosjes die zich rond de Belgisch-Limburgse provinciegrens concentreren en bij elkaar wel van belang zijn. Ze lopen echter niet steeds bij elkaar: de zogeheten Getelijn is behoorlijk rafelig. Dit feit maakt het hanteren van de Getelijn als grens bij voorbaat problematisch. Toch laat zich deze isoglossenbundel hiervoor redelijk gebruiken. Een belangrijk gevolg van de Getebundel als grens van het Limburgs is dat het Sint-Truidens hierdoor wel een Limburgs dialect is (hoewel het geen oppositie stoottoon-sleeptoon kent) en het Tienens niet.

Alles bij elkaar heeft dit het gevolg dat het Limburgs in de volgende gebieden verspreid is: Belgisch Limburg behalve Lommel en Tessenderlo en omstreken, Nederlands Limburg behalve het uiterste zuidoosten en een groot deel van het noorden (voor een verdere analyse van de dialecten daar zie Noord-Limburgs), de dorpen uit de Noord-Brabantse gemeente Cranendonck, een groot deel van het Midden-Rijnland waaronder het land van Bergen, de Voerstreek (die expliciet om deze reden bij Belgisch Limburg gevoegd is) en een paar dorpen in Wallonië (waar het dialect nog maar door weinigen gesproken wordt).

Naam


De naam Limburg voor de beide provincies in België en Nederland is nog niet zo oud: Pas bij de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden kreeg de (toen nog één) provincie deze naam. Sedert die tijd deed de term Limburgs zeer geleidelijk zijn intrede. Nog altijd is zij niet de gebruikelijkste term bij de Limburgers zelf. Sprekers van de dialecten verwijzen liever met de naam van de plaats naar hun taal (Mestreechs, Remunjs, Hessels), wat uiteraard recht doet aan de aanzienlijke verschillen tussen de dialecten onderling, of spreken simpelweg van "plat", een term die weinig exact is omdat ze ook (ver) buiten Limburg voorkomt.

Status als (streek)taal


Traditioneel wordt het Limburgs als een dialect gezien, niet als een aparte taal. Als het niet van het Nederlands is dan heet het wel een Duits dialect, afhankelijk van wat de cultuurtaal in dat gebied is. Het feit dat er een cultuurtaal boven staat die sterk verwant is aan het Limburgs is dan ook een belangrijke factor in deze zienswijze. Andere redenen zijn het ontbreken van een standaardtaal (zie onder), het feit dat het Limburgs vloeiend in andere streektalen overgaat, het feit dat de wortels van het Limburgs voor een groot deel dezelfde zijn als die van het Nederlands (dit in tegenstelling tot het Fries) en het ontbreken van dingen als nationalisme en een intellectuele bovenlaag die opkwam voor gelijke rechten voor het Limburgs (weer in tegenstelling tot het Fries).

In de recente geschiedenis valt er echter een duidelijke kentering te bespeuren: men wil talen meer volgens zuiver taalkundige maatstaven beoordelen. Daar het Limburgs vrij ver van het Nederlands staat, in elk geval verder dan het Zweeds van het Noors, is er veel voor te zeggen deze variëteit de status van taal toe te bedelen. Erkenning als minderheidstaal kreeg de taal in 1997 van de Nederlandse overheid: die gaf het Limburgs de status van streektaal volgens hoofdstuk twee van het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen. Vlaanderen heeft dit handvest niet ondertekend en erkent de Limburgse dialecten niet, Wallonië weer wel, en wel onder de paraplu van het "Frankisch" (samen met Luxemburgse en Ripuarische dialecten in het oosten van dit gewest). De Nederlandse provincie Limburg heeft bovendien een streektaalfunctionaris aangesteld, de heer Pierre Bakkes.

Ook bij de Amerikaanse overheidsdiensten heerst de visie dat het Limburgs een taal is: Al in ISO 639-1 had het Limburgs een code (li); de code in ISO 639-2 en -3 is lim.

AGL

Uit de visie dat het Limburgs een (volwaardige) taal is vloeide de visie voort dat er ook een Limburgse standaardtaal moet komen. Hoewel de meesten liever aan het plaatselijk dialect vasthouden heeft de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs de gelijknamige schrijftaal ontwikkeld (vaak afgekort tot AGL), die bedoeld is om boven de dialecten te staan. Deze taal is bewust zo ontwikkeld dat ze met geen enkel Limburgs dialect volledig overeenkomt.

Het initiatief heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden. Een voorstel om het op provinciaal niveau te gebruiken werd niet aangenomen. Werkgroeplid Paul Prikken schreef een aantal jaar lang columns in een Sittardse krant in deze taal.

Kenmerken


Hieronder zullen de specifieke kenmerken van het Limburgs besproken worden. Hoewel het Limburgs net als elke taal of dialect een zelfstandig taalsysteem is zal voornamelijk worden ingegaan op de verschillen met het Nederlands.

Voor de meeste kenmerken geldt dat ze wel in enkele dialecten een uitzondering kennen. In principe wordt hierop ingegaan.

Klankleer

Limburgs als toontaal
In tegenstelling tot andere Indo-Europese talen is het Limburgs een toontaal. Talen als het Lets, het Servokroatisch, het Sloveens en het Zweeds zijn geen echte toontalen maar pitch accent-talen. Men spreekt van sleeptoon en stoottoon. De noordgrens van het gebied waar de tweetonigheid voorkomt ligt over Weert, onder Meijel en met een bochtje over Venlo en Arcen heen. Venray ligt dus buiten dat gebied; daarom wordt het Venrays soms niet tot het Limburgs, maar tot het Brabants (en dus tot het Nederlands) gerekend. Naar het westen toe loopt de tonaliteitslijn over Budel en Maarheeze heen, en snijdt ze Lommel, de Neus van Belgisch Limburg en het gebied rond Sint-Truiden af.

Zo scherp als ze vaak getekend wordt is de grens in feite niet. Bijna steeds is er buiten het tonaliteitsgebied een strook waar men de twee tonen wel kent, maar waar ze niet in oppositie gesteld worden (dus geen betekenisverschil uitmaken). Ook zijn er gebieden waar de twee tonen de kwaliteit van de klinkers zelf zo hebben veranderd, dat de woorden die oorspronkelijk alleen door sleeptoon en stoottoon uit elkaar gehouden werden nu steeds andere klinkers hebben. Dit vindt men ten zuiden van Maastricht (in de gemeenten Riemst en Eijsden).

Klinkers
Het Limburgs heeft meer klinkers dan het Nederlands. Het klinkerarsenaal vertoont grote overeenkomsten met de Nedersaksische dialecten, in het bijzonder het Achterhoeks en het Twents. Het hier gestelde heeft geen betrekking op de West-Limburgse dialecten. De spelling in het overzicht is de Veldekespelling.

=Korte klinkers
=
klank voorbeeld uitspraak
a kat als in het Ndl.
e bel tussen Ndl. a en e
è sjtèl tussen Ndl. e en i
i hin ("kip") als in het Ndl.
o kop als in het Ndl.
ó sjtóp ("stoep") geronde en meer gesloten o
ö dörp als de oe in het Fr. oeuf
u un ("ui") als in het Ndl.

=Lange klinkers
=
klank voorbeeld uitspraak
a(a) aaf ("af") als in het Ndl.
ae gaere ("graag") als de è in het Franse mère
ao maon ("maan") benadert de oo uit oor
äö sjäöp ("schapen") als de oe uit het Fr. soeur (lange ö)
ee leef ("lief") Ndl. ee zonder naslag
eu geut ("goot") Ndl. eu zonder naslag
ie wies ("wijs") als in het Ndl.; dikwijls langer
oe hoes ("huis") als in het Ndl.; dikwijls langer
o(o) good ("goed") Ndl. oo zonder naslag
uu kruus ("kruis") als in het Ndl.; dikwijls langer

=Tweeklanken
= N.B. Veel van deze tweeklanken komen slechts in een beperkt aantal dialecten voor; sommige sluiten elkaar uit (d.w.z. komt de ene tweeklank voor dan kan de andere, daarop lijkende klank niet optreden). Dit is het geval met de ieë, en , met de oeë, oa en wa en met de , en .

Ook valse diftongen (als aw en ej) zijn opgenomen.

klank voorbeeld uitspraak voorkomen
aaj vlaaj ("vlaai") aa met j vrij algemeen
aoë raoëd ("raad") ao met naslag Midden-Heuvelland
äöj dräöj ("draden") äö met j niet algemeen in NL-Limburg
au paus als in het Ndl. algemeen
aw klaw ("klauw") a met halfvocaal w vrij algemeen
ei, ij bein ("been") als in het Nederlands algemeen
ej hej ("had", conj.) e met j vrij algemeen
ew vewke ("vouwtje") e met halfvocaal w vrij algemeen, maar niet frequent
ieë Wieërt ("Weert") ie met naslag Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg
hièr ("heer") vloeiende overgang i naar è Valkenburg e.o.
kjès ("kaas") valse tweeklank; lijkt op Meerssen
oa sjoan ("mooi") vloeiende overgang o naar a Valkenburg en Geleen e.o.
oeë broeëd ("brood") oe met naslag noorden en zuidoosten van NL-Limburg
oj mojl ("bek") o met j vooral Maastricht
ou oug ("oog") als in het Ndl., soms richting ow algemeen
kuël ("kool *") uu met naslag Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg
huèr ("hoor") u gevolg door è Valkenburg en Geleen e.o.
ui huid ("hoofd") als in het Nederlands, maar met j-naslag algemeen, maar weinig frequent
wa dwad ("dood") valse tweeklank, lijkt op oa Meerssen
grwètsj ("trots") valse tweeklank, lijkt op Meerssen

=Umlaut
= Zoals hierna toegelicht zal worden komt in alle Limburgse dialecten veel umlaut voor, gewoonlijk met een grammaticale achtergrond. Er zijn vaste umlautpatronen, hieronder gegeven en toegelicht aan de hand van een verkleinwoord.

klank voorbeeld
a > e man - menneke
aa > ae aap - aepke
ao > äö haor ("haar") - häörke''
o > ö pot - pötje
ó > u sjtóp - sjtupke
oe > uu hoes - huuske
ou > ui droum ("droom") - druimke

In sommige dialecten is de umlaut van aa in bepaalde of zelfs alle gevallen ee (vb. Maastrichts aap - eepke)

Medeklinkers
Deze wijken belangrijk minder van het Nederlands af dan de klinkers. Om die reden zullen slechts de bijzondere klanken hier worden weergegeven.

klank voorbeeld uitspraak
ch ach ("acht") stemloze velare fricatief ("zachte g")
g good stemhebbende velare fricatief
gk zègke ("zeggen") g als in En., Du. of Fr.
r raad ("wiel") velare r, behalve in Stein e.o.
w wae ("wie") een halfvocaal, tussen Ndl. en En. w in

In het gebied tussen Weert, Reuver en Sittard komt bovendien mouillering voor. Dat wil zeggen dat de t en de d aan het eind van een woord vaak wat palataler worden uitgesproken: als tj en dj. De eindklank -nt/nd kan dan ook in -nj veranderen: Roermondenaren noemen hun stad Remu(u)nj.

=T-deletie
= De meeste Limburgse dialecten doen aan t-deletie. Dat komt erop neer dat de t wordt weggelaten na de medeklinkers ch, f, g, k, p en s. Bij een m en een ng is assimilatie vereist tot p resp. k.

In aanzienlijke delen van het Limburgse taalgebied gaat deze klankwet niet op en wordt de t (vaak gemouilleerd, zie boven) wel uitgesproken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het Weerts.

=Regressieve assimilatie
= Waar in het Nederlands progressieve assimilatie heerst doet het Limburgs in veel gevallen aan regressieve assimilatie. Dat wil zeggen dat een harde (stemloze) medeklinker in een zachte (stemhebbende) verandert als er een klinker of zachte medeklinker op volgt. Woordgroepen als "pak aan" worden door een Limburger (vaak ook in zijn Nederlands) als "pagk aan" uitgesproken. Een veel duidelijker voorbeeld vindt men in de vervoeging van zwakke werkwoorden: de kofschip-regel is in het Limburgs volkomen onbekend, alle werkwoorden vormen hun verleden tijd op -de. Als de voorgaande stammedeklinker stemloos is, wordt hij stemhebbend. Make ("maken") heeft dus als verleden tijd maagkde, vatte wordt vadde. De regressieve assimilatie wordt trouwens niet uitgeschreven.

Grammatica

Ook de grammatica van het Limburgs wijkt aanzienlijk van de Nederlandse af. Oostelijke en zuidelijke invloeden doen zich nadrukkelijk gelden, en de hierboven beschreven aspecten van de klankleer hebben een nadrukkelijke functie in de morfologie. Vooral het overvloedige gebruik van umlaut valt op.

Woordgeslachten en lidwoorden
Het Limburgs heeft drie woordgeslachten, die door alle sprekers worden aangevoeld en geëerbiedigd. Dit komt duidelijk tot uiting in de lidwoorden.

De bepaalde lidwoorden stammen af van de aanwijzende voornaamwoorden: dae voor het mannelijk, die voor het vrouwelijk en het meervoud en dat (of dèt) voor het onzijdige geslacht. In hun lidwoordfunctie worden die gewoonlijk verkort. Het lidwoord voor mannelijke woorden is de, in het noorden en westen (tot aan Maastricht) vaak d'n voor sommige klanken (zie bdht-klinker-regel). In het oosten van het Heuvelland zegt men d'r. Het lidwoord voor vrouwelijk en meervoud is altijd de, het onzijdige lidwoord is 't.

Het onbepaalde lidwoord is gebaseerd op het telwoord ein (juist als in het Nederlands). Het heeft als vormen eine(n) voor het mannelijk, ein voor het vrouwelijk en ei voor het onzijdig geslacht. Bij het onzijdig vindt dus n-apokope plaats. Gezegd moet worden dat dit verschijnsel in veel dialecten verdwijnt of al verdwenen is, onder invloed van het Nederlands. Bovendien wordt de n niet afgekapt als er een klinker op volgt. Onbetoond worden de vormen 'ne(n), 'n en e.

Zelfstandige naamwoorden
=Meervoudsvorming
= De meervoudsvorming van zelfstandige naamwoorden in het Limburgs verloopt in grote lijnen volgens vertrouwde regels, maar kent heel veel uitzonderingen. Deze onregelmatige meervouden worden op een redelijk gecompliceerde manier gevormd.

Een regelmatig meervoud eindigt op een -e, voor alle geslachten. Meervoud op -s komt wel voor, maar niet zo vaak als in het Nederlands. Het meervoud van lepel bijvoorbeeld luidt in het Limburgs lepele. Bij woorden op -er, verkleinwoorden en veel Franse leenwoorden wordt die -s wel gebruikt.

Veel onregelmatige meervouden, met name van mannelijke woorden, gebruiken umlaut in de meervoudsvorming. Vergelijk de paren appel - eppel, man - men, sjtool ("stoel") - sjteul, voot ("voet") - veut. Heeft het woord in het enkelvoud een sleeptoon dan verandert deze in het meervoud in een stoottoon. Ook vrouwelijke en onzijdige woorden kunnen een dergelijk meervoud krijgen: bank - benk; book ("boek") - beuk. In de westelijke dialecten kan een eind-d of -t in een -j veranderen: zie bijvoorbeeld het Maastrichtse draod - dräöj (Roermonds: draod - dräöd).

Onzijdige woorden hebben vaak een meervoud op -er; dit komt veel vaker voor dan -eren in het Nederlands. Het is dan ook niet alleen kind(j) - kinder/kinjer/kinger en blaad - blaojer, maar ook dörp ("dorp") - dörper, glaas ("glas") - glazer en sjtök ("stuk") - sjtökker.

Het meest in het oog springende meervoud is echter dit type meervoud dat alleen van zijn enkelvoud te onderscheiden is door verandering van toon. Het enkelvoud heeft de sleeptoon, het meervoud de stoottoon. Volgens eus mojertaol, een beschrijvende grammatica van het Maastrichts, zijn er in dat dialect tien woorden die deze manier van meervoudsvorming kennen: bein ("been)", berg, derm ("darm"), erm ("arm"), körf ("mand"), peerd ("paard"), stein ("steen"), vörm ("vorm"), weeg ("weg") en wörm ("worm"). Veel dialecten kennen meer van dat soort paren, andere juist minder. Een soort meervoud dat hier zeer op lijkt is rink ("ring") - ring, maar hier verandert behalve de toon ook de slotklank.

=Verkleinwoorden
= Verkleinwoorden worden in de meeste gevallen gevormd met de suffix -ke, zoals in het Brabants. Na een d of een t volgt de uitgang -je, in sommige dialecten -sje. Zoals reeds hierboven aangegeven krijgen verkleinwoorden consequent umlaut op de beklemtoonde medeklinker, indien dat mogelijk is. Dit gebeurt ook in vreemde woorden, en zelfs nog rigoureuzer dan in bijv. het Duits. Onderzoek van Pierre Bakkes leverde op dat het woord radio in het Roermonds zelfs twee umlauten kreeg: raedieuke, omdat er een bijklemtoon ligt op de laatste o.

Er zijn slechts enkele onregelmatige verkleinwoorden. Kind(j) wordt kinneke, "een beetje" kan behalve e bitje ook e bitteke zijn. In sommige dialecten hebben klankinterne processen voor meer gevallen gezorgd die zich niet aan de regels houden. Zo maakte diftongering in het Maastrichts dat het verkleinwoord van hoes huiske werd (en niet huuske bleef, zoals oostelijker), en werd door ontronding het Hasseltse boek ("boek") tot biekske (niet *buukske, wat het ooit geweest moet zijn).

Bijvoeglijke naamwoorden
De Limburgse bijvoegelijke naamwoorden worden op een geheel andere manier verbogen dan de Nederlandse. Laten we Venlo e.o., waar het Nederlandse systeem wel gewoon in gebruik is, buiten beschouwing, dan kan er het volgende over gezegd worden.

Om te beginnen maakt het Limburgs geen verschil tussen sterke en zwakke verbuiging. In het Nederlands dient na aanwijzende voornaamwoorden en bepaalde lidwoorden ook bij onzijdige woorden een -e toe te voegen ("dat oude huis"), terwijl er bij onbepaalde lidwoorden en afwezigheid van lid- of voornaamwoorden bij het onzijdig die -e moet weglaten ("een oud huis"). In het Limburgs daarentegen is het in alle gevallen verplicht om bij onzijdige woorden in het enkelvoud geen uitgang aan te plakken.

Dat awd hoes
'n Awd hoes

Treedt er wel een geval van zwakke verbuiging op dan heeft men te doen met een spreker die (onbewust) Nederlandse elementen door zijn Limburgs mengt.

Belangrijker is het bestaan van twee klassen bijvoegelijke naamwoorden. Leden van de eerste klassen krijgen als ze bij een mannelijk zelfstandig naamwoord horen een uitgang -e(n) (de -n verschijnt onder dezelfde omstandigheden als eerder bij het lidwoord besproken), bij vrouwelijke en meervoudige woorden een uitgang -e, en bij onzijdige woorden geen uitgang. Als voorbeeld volgt hier het adjectief sjterk ("sterk"):

  • 'ne Sjterke mins ("mens")
  • 'n Sjterke leefde ("liefde")
  • E sjterk verhaol
  • Sjterke buim ("bomen")

In de tweede klasse echter wordt bij vrouwelijke en meervoudige woorden de -e afgekapt. Daardoor is de vorm gelijk aan die van onzijdige woorden. Er is vaak echter nog wel een toonsverschil: de vrouwelijke/meervoudige vorm heeft altijd de stoottoon, de onzijdige vorm kan ook een sleeptoon hebben. Het afkappen van de -e vindt plaats als de stam van het adjectief uitgaat op een f, j, l, m, n, ng, r of w, en vaak ook na een g of s. Een (Maastrichts) voorbeeld met het woord sjoen "mooi":

  • 'ne Sjoène maan
  • 'n Sjoèn vrouw
  • E sjoên keend
  • Sjoèn lui

(De accenten geven de tonen aan; een accent grave voor de stoottoon, een accent circonflexe voor de sleeptoon. Die worden gewoonlijk niet uitgeschreven.)

Voornaamwoorden
De aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden zijn, zoals boven gezegd, dae, die en dat. In veel dialecten, waaronder de meeste van Nederlands Limburg, kent men traditioneel een naamvalsonderscheid bij het mannelijk woordgeslacht: de datief en accusatief van dae is daen. Meer naar het westen wordt deze bijvorm gebruikt als er een klinker op volgt, ongeacht de naamval (bijvoorbeeld dee-deen in het Maastrichts).

Het vragend voornaamwoord is wae, ook dit heeft in het oosten een datief/accusatiefvorm, namelijk waem.

Het wederkerend voornaamwoord zich is in de meeste Limburgse dialecten aanwezig en wordt dus niet vervangen door z'n eige. Het woord elkaar bestaat juist weer niet: hiervoor gebruikt men constructies als zich óngerein.

In de persoonlijke voornaamwoorden valt het bestaan van doe "jij" op. Behalve in het westen van het Limburgse taalgebied is dit algemeen aanwezig, hoewel men vaak ook de voorwerpsvorm dich voor het onderwerp gebruikt. In de zuidelijke helft van Belgisch Limburg kent men het woordje dzjië voor ofwel jij of jullie.

Werkwoorden
Het Limburgse werkwoord kent over het algemeen meer vormen dan het Nederlandse. Bovendien kent de vervoeging een paar belangrijke beginselen die in het Nederlands ontbreken of geheel anders liggen.

=Tegenwoordige tijd
= Een Limburgs werkwoord krijgt in de tegenwoordige tijd de volgende uitgangen: geen uitgang voor de eerste persoon enkelvoud, -s (-st bij dialecten die geen t-deletie kennen) voor de tweede persoon enkelvoud, -t voor de derde persoon enkelvoud (tenzij de wet van de t-deletie dat niet toestaat, dan komt er geen uitgang), -e voor de eerste en derde persoon meervoud, -t voor de tweede persoon meervoud (ook hier geldt uiteraard dat de klankwetten dit moeten toestaan). Als voorbeelden volgen hier het Roermondse heure "horen" en pakke "pakken".

heure
  • ich heur
  • doe heurs
  • hae heurt
  • veer/zie heure
  • geer heurt
pakke
  • ich pak
  • doe paks
  • hae pak
  • veer/zie pakke
  • geer pak

Bij sterke werkwoorden treedt geregeld umlaut op in de tweede en derde persoon enkelvoud. Deze umlaut verloopt niet volgens de strakke regels die voor verkleinwoorden gelden. Als voorbeeld volgt valle "vallen".

valle
  • ich val
  • doe vils
  • hae vilt
  • veer/zie valle
  • geer valt

Verder bestaan er nog veel werkwoorden met onregelmatigheden in hun tegenwoordige tijd, veel meer dan in het Nederlands. Vergelijk bijvoorbeeld zègke ("zeggen") - hae zaet. Geheel onregelmatig is het werkwoord zeen/zien "zijn", net als in alle Germaanse talen. Als voorbeeld volgen hier het Maastrichts en het Sittards, waaruit ook de grote onderlinge verschillen blijken.

zien
  • iech bin
  • diech bis
  • heer is
  • veer/zie zien
  • geer zeet
zeen
  • ich bön
  • doe bös
  • hae is
  • veer/zie zint
  • geer zeet

=Verleden tijd
= In de onvoltooid verleden tijd vormen alle regelmatige werkwoorden hun persoonsvormen op -de, zoals reeds hierboven betoogd. Hier worden grotendeels dezelfde persoonsuitgangen als bij de tegenwoordige tijd gebruikt, maar niet bij de derde persoon enkelvoud: die krijgt hier net als in alle andere Germaanse talen geen uitgang. Tegenwoordig raakt ook de -t bij de tweede persoon meervoud in onbruik.

Er is een aanzienlijke groep onregelmatig zwakke werkwoorden met in de verleden tijd een stam op -t, bijvoorbeeld heure - ich hoort en veule ("voelen") - ich voolt.

=Voltooid deelwoord
= Gevormd op -d. Als de wetten van de t-deletie dit niet toestaan verdwijnt ze, om bij de verbogen vorm wer op de duiken: make - gemaak, maar gemaakde (uitspraak gemaagkde).

=Gebiedende wijs
= Deze kent twee vormen: een voor het enkelvoud (de stam alleen) en een voor de beleefdheidsvorm en het meervoud (stam + t, indien mogelijk). Onregelmatige werkwoorden hebben dikwijls zeer afwijkende vormen voor beide varianten. De gebiedende wijs meervoud wordt niet alleen door iedereen nog gebruikt, ze wordt, in het doe-gebied althans, ook nog goed gescheiden van de gebiedende wijs enkelvoud gebezigd.

Invloeden uit het Frans en het Duits


In Maastricht werd tot diep in de 20e eeuw door de hogere klasse Frans als standaardtaal gebruikt en de invloed van het Frans op het Zuid-Limburgs is nog steeds goed merkbaar, al is de trend wel dat de uit het Frans afkomstige woorden makkelijk verdrongen worden door de Nederlandstalige varianten.

  • (Maastrichts) avvensere (Frans) avancer - opsjete, opschieten
  • (Maastrichts) sjomaasj (Frans) chomage - werkloosheid
  • (Maastrichts) kuusj, (Frans) cochon - verke of kuuske, varken
  • (Maastrichts) forsjet, (Frans) fourchette - vork

Het Zuidoostlimburgs, dat van nature al erg dicht bij het Duits staat, heeft bovendien ook een grote Duitse invloed ondergaan, vergelijkbaar met de Franse invloed op het Maastrichts. Vergelijk:

  • (Kerkraads) tsiedóng, (Maastrichts) gezèt, (AN) krant
  • (Kerkraads) opa, (Maastrichts) bompa
  • (Kerkraads) Wainachte, (Maastrichts) Keersmis (AN) "kerstmis"

Merk ook op dat Kerkrade tot 1815 (het Congres van Wenen) deel van de stad Herzogenrath was.

Typisch Limburgs


Een willekeurig aantal (Nederlands) Limburgse woorden en hun (vertaling) naar het Nederlands:

  • allegaal/allelein/tótmem: om het even.
  • Belsj: een Belg of België ('t Belsj)
  • breer: poort.
  • dao: daar.
  • gans: helemaal.
  • s(j)miete/goesje: werpen, gooien.
  • hie/hië: hier.
  • humme: hemd.
  • Hollènder: Hollander.
  • Hollès: de Nederlandse taal c.q. het Algemeen Nederlands.
  • kolef/koalèf: moestuin.
  • neij(e)/nèj(e)/nein (spreek uit: n-ei-n, niet n-ai-n): Nee(n).
  • oetkieke: uitkijken.
  • Pruusj: Pruis, Duitser.
  • sjink: (rauwe) ham.
  • sjloan: slaan.
  • sjóte(l)splak: vaat-, of (misschien) beter: potdoek; letterlijk: 'plak voor de schotels'.
  • un: ui.
  • vreigele/vreijele: (be)twisten: meestal een ietwat verhitte discussie over iets onbeduidends.
  • Gezèt: Krant, gazet.

Voorbeeldtekst


Onzevader

(Valkenburgs)
Oze vader, dae in de hemel ies,
eure naam ies oes heilig,
laot eur riek van vrae kómme op dees waereld
en laot oes handele volges eure wil.
Gaef ederein zien dageliks broad
en vergaef oes oos miessjlaeg,
zoa wie veer aan andere vergaeve wat ze taege oes miesdege,
bring oes neet in verzeuking
en verlos oes van alle koad.
Want van uuch ies 't keuninkriek
en de krach en de gelökzaligheid
in alle ièwigheid.
Amen.

Classificatie


Zie ook: dialect.

provincie Limburg (België) | Nederlands-Limburg | provincie Vlaams-Brabant | Noord-Rijnland-Westfalen | Nederlandse streektaal en dialect | Vlaamse streektaal en dialect

Limburgs | Limburgisch-Bergisch | Λιμβουργιανή γλώσσα | Limburgish language | Limburga lingvo | Idioma limburgués | Limbourgeois | Limburchsk | לימבורגית | Limburghese | リンブルグ語 | Limbourgek | Lingua Limburgica | Limburgs | Limburgisch | Limbörgs | Język limburgijski | Língua limburguesa | Limba limburgheză | 林堡语

 

This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the "Limburgs".

Home Pageartsbusinesscomputersgameshealthhospitalshomekids & teensnewsphysiciansrecreationreferenceregionalscienceshoppingsocietysportsworld