Het Limburgs is een groep West-Germaanse dialecten, die hun hoofdverspreidingsgebied hebben in Belgisch en Nederlands Limburg. Vaak wordt de term zuiver of hoofdzakelijk geografisch gebruikt - 'Limburgs' verwijst dan naar alle in de beide Limburgen inheemse dialecten. Taalkundig gedefinieerd is Limburgs de naam van de Zuidoost-Nederfrankische dialecten, die inderdaad in het leeuwendeel van de Limburgen worden gesproken en een min of meer samenhangende groep vormen. Sommigen zien daarom Limburgs als aparte taal.
Over de grenzen in het noorden en westen bestaat minder eenstemmigheid. Een veelgebruikt criterium is de tweetonigheid: Limburgs is in beperkte zin een toontaal (zie onder) en de grens van de tweetonigheid wordt vaak aanvaard als criterium of een dialect nog Limburgs mag heten of eerder Brabants. Een probleem hierbij is dat veel dialecten, m.n. aan de randen van het Limburgse taalgebied, wel de twee tonen kennen maar niet deze niet betekenisonderscheidend gebruiken: de overgang van toontaal naar niet-toontaal is dus vager men zou denken.
Een ander, ouder criterium is de Uerdinger Linie: de grens tussen ik en ich, mij en mich en ook/ouk en ooch/ouch. Die grens levert heeft echter als probleem dat er zich maar drie woorden naar richten. Zo zou het Tienens een Limburgs dialect zijn, terwijl het behalve de woordjes ich en mich geheel Zuid-Brabants van aard is, en zou het zeer Limburgse Venloos juist weer geen Limburgs moeten zijn. Bovendien is ook de Uerdinger Linie vager dan men zou denken: In het noorden van Nederlands Limburg splitst er zich naar het noorden een takje af voor de oppositie tussen mich en meej (zodat men in Venlo en Arcen ik en mich zegt) en in Belgisch Limburg loopt de grens tussen ook en ooch weer veel oostelijker dan die tussen iech en iek en miech en mij. Bij Duitse variatielinguïsten heeft de Uerdinger Linie nog altijd een belangrijke status.
Een derde lijn vormt slechts een deel van de westgrens van het Limburgs: de Getelijn. Dit is geen echte isoglosse, meer een bundel van op zich onbelangrijke isoglosjes die zich rond de Belgisch-Limburgse provinciegrens concentreren en bij elkaar wel van belang zijn. Ze lopen echter niet steeds bij elkaar: de zogeheten Getelijn is behoorlijk rafelig. Dit feit maakt het hanteren van de Getelijn als grens bij voorbaat problematisch. Toch laat zich deze isoglossenbundel hiervoor redelijk gebruiken. Een belangrijk gevolg van de Getebundel als grens van het Limburgs is dat het Sint-Truidens hierdoor wel een Limburgs dialect is (hoewel het geen oppositie stoottoon-sleeptoon kent) en het Tienens niet.
Alles bij elkaar heeft dit het gevolg dat het Limburgs in de volgende gebieden verspreid is: Belgisch Limburg behalve Lommel en Tessenderlo en omstreken, Nederlands Limburg behalve het uiterste zuidoosten en een groot deel van het noorden (voor een verdere analyse van de dialecten daar zie Noord-Limburgs), de dorpen uit de Noord-Brabantse gemeente Cranendonck, een groot deel van het Midden-Rijnland waaronder het land van Bergen, de Voerstreek (die expliciet om deze reden bij Belgisch Limburg gevoegd is) en een paar dorpen in Wallonië (waar het dialect nog maar door weinigen gesproken wordt).
In de recente geschiedenis valt er echter een duidelijke kentering te bespeuren: men wil talen meer volgens zuiver taalkundige maatstaven beoordelen. Daar het Limburgs vrij ver van het Nederlands staat, in elk geval verder dan het Zweeds van het Noors, is er veel voor te zeggen deze variëteit de status van taal toe te bedelen. Erkenning als minderheidstaal kreeg de taal in 1997 van de Nederlandse overheid: die gaf het Limburgs de status van streektaal volgens hoofdstuk twee van het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen. Vlaanderen heeft dit handvest niet ondertekend en erkent de Limburgse dialecten niet, Wallonië weer wel, en wel onder de paraplu van het "Frankisch" (samen met Luxemburgse en Ripuarische dialecten in het oosten van dit gewest). De Nederlandse provincie Limburg heeft bovendien een streektaalfunctionaris aangesteld, de heer Pierre Bakkes.
Ook bij de Amerikaanse overheidsdiensten heerst de visie dat het Limburgs een taal is: Al in ISO 639-1 had het Limburgs een code (li); de code in ISO 639-2 en -3 is lim.
Het initiatief heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden. Een voorstel om het op provinciaal niveau te gebruiken werd niet aangenomen. Werkgroeplid Paul Prikken schreef een aantal jaar lang columns in een Sittardse krant in deze taal.
Voor de meeste kenmerken geldt dat ze wel in enkele dialecten een uitzondering kennen. In principe wordt hierop ingegaan.
Zo scherp als ze vaak getekend wordt is de grens in feite niet. Bijna steeds is er buiten het tonaliteitsgebied een strook waar men de twee tonen wel kent, maar waar ze niet in oppositie gesteld worden (dus geen betekenisverschil uitmaken). Ook zijn er gebieden waar de twee tonen de kwaliteit van de klinkers zelf zo hebben veranderd, dat de woorden die oorspronkelijk alleen door sleeptoon en stoottoon uit elkaar gehouden werden nu steeds andere klinkers hebben. Dit vindt men ten zuiden van Maastricht (in de gemeenten Riemst en Eijsden).
| klank | voorbeeld | uitspraak |
| a | kat | als in het Ndl. |
| e | bel | tussen Ndl. a en e |
| è | sjtèl | tussen Ndl. e en i |
| i | hin ("kip") | als in het Ndl. |
| o | kop | als in het Ndl. |
| ó | sjtóp ("stoep") | geronde en meer gesloten o |
| ö | dörp | als de oe in het Fr. oeuf |
| u | un ("ui") | als in het Ndl. |
| klank | voorbeeld | uitspraak |
| a(a) | aaf ("af") | als in het Ndl. |
| ae | gaere ("graag") | als de è in het Franse mère |
| ao | maon ("maan") | benadert de oo uit oor |
| äö | sjäöp ("schapen") | als de oe uit het Fr. soeur (lange ö) |
| ee | leef ("lief") | Ndl. ee zonder naslag |
| eu | geut ("goot") | Ndl. eu zonder naslag |
| ie | wies ("wijs") | als in het Ndl.; dikwijls langer |
| oe | hoes ("huis") | als in het Ndl.; dikwijls langer |
| o(o) | good ("goed") | Ndl. oo zonder naslag |
| uu | kruus ("kruis") | als in het Ndl.; dikwijls langer |
Ook valse diftongen (als aw en ej) zijn opgenomen.
| klank | voorbeeld | uitspraak | voorkomen |
| aaj | vlaaj ("vlaai") | aa met j | vrij algemeen |
| aoë | raoëd ("raad") | ao met naslag | Midden-Heuvelland |
| äöj | dräöj ("draden") | äö met j | niet algemeen in NL-Limburg |
| au | paus | als in het Ndl. | algemeen |
| aw | klaw ("klauw") | a met halfvocaal w | vrij algemeen |
| ei, ij | bein ("been") | als in het Nederlands | algemeen |
| ej | hej ("had", conj.) | e met j | vrij algemeen |
| ew | vewke ("vouwtje") | e met halfvocaal w | vrij algemeen, maar niet frequent |
| ieë | Wieërt ("Weert") | ie met naslag | Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg |
| iè | hièr ("heer") | vloeiende overgang i naar è | Valkenburg e.o. |
| jè | kjès ("kaas") | valse tweeklank; lijkt op iè | Meerssen |
| oa | sjoan ("mooi") | vloeiende overgang o naar a | Valkenburg en Geleen e.o. |
| oeë | broeëd ("brood") | oe met naslag | noorden en zuidoosten van NL-Limburg |
| oj | mojl ("bek") | o met j | vooral Maastricht |
| ou | oug ("oog") | als in het Ndl., soms richting ow | algemeen |
| uë | kuël ("kool *") | uu met naslag | Maaskant, noorden en zuidoosten van NL-Limburg |
| uè | huèr ("hoor") | u gevolg door è | Valkenburg en Geleen e.o. |
| ui | huid ("hoofd") | als in het Nederlands, maar met j-naslag | algemeen, maar weinig frequent |
| wa | dwad ("dood") | valse tweeklank, lijkt op oa | Meerssen |
| wè | grwètsj ("trots") | valse tweeklank, lijkt op uè | Meerssen |
| klank | voorbeeld |
| a > e | man - menneke |
| aa > ae | aap - aepke |
| ao > äö | haor ("haar") - häörke'' |
| o > ö | pot - pötje |
| ó > u | sjtóp - sjtupke |
| oe > uu | hoes - huuske |
| ou > ui | droum ("droom") - druimke |
In sommige dialecten is de umlaut van aa in bepaalde of zelfs alle gevallen ee (vb. Maastrichts aap - eepke)
| klank | voorbeeld | uitspraak |
| ch | ach ("acht") | stemloze velare fricatief ("zachte g") |
| g | good | stemhebbende velare fricatief |
| gk | zègke ("zeggen") | g als in En., Du. of Fr. |
| r | raad ("wiel") | velare r, behalve in Stein e.o. |
| w | wae ("wie") | een halfvocaal, tussen Ndl. en En. w in |
In het gebied tussen Weert, Reuver en Sittard komt bovendien mouillering voor. Dat wil zeggen dat de t en de d aan het eind van een woord vaak wat palataler worden uitgesproken: als tj en dj. De eindklank -nt/nd kan dan ook in -nj veranderen: Roermondenaren noemen hun stad Remu(u)nj.
In aanzienlijke delen van het Limburgse taalgebied gaat deze klankwet niet op en wordt de t (vaak gemouilleerd, zie boven) wel uitgesproken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het Weerts.
De bepaalde lidwoorden stammen af van de aanwijzende voornaamwoorden: dae voor het mannelijk, die voor het vrouwelijk en het meervoud en dat (of dèt) voor het onzijdige geslacht. In hun lidwoordfunctie worden die gewoonlijk verkort. Het lidwoord voor mannelijke woorden is de, in het noorden en westen (tot aan Maastricht) vaak d'n voor sommige klanken (zie bdht-klinker-regel). In het oosten van het Heuvelland zegt men d'r. Het lidwoord voor vrouwelijk en meervoud is altijd de, het onzijdige lidwoord is 't.
Het onbepaalde lidwoord is gebaseerd op het telwoord ein (juist als in het Nederlands). Het heeft als vormen eine(n) voor het mannelijk, ein voor het vrouwelijk en ei voor het onzijdig geslacht. Bij het onzijdig vindt dus n-apokope plaats. Gezegd moet worden dat dit verschijnsel in veel dialecten verdwijnt of al verdwenen is, onder invloed van het Nederlands. Bovendien wordt de n niet afgekapt als er een klinker op volgt. Onbetoond worden de vormen 'ne(n), 'n en e.
Een regelmatig meervoud eindigt op een -e, voor alle geslachten. Meervoud op -s komt wel voor, maar niet zo vaak als in het Nederlands. Het meervoud van lepel bijvoorbeeld luidt in het Limburgs lepele. Bij woorden op -er, verkleinwoorden en veel Franse leenwoorden wordt die -s wel gebruikt.
Veel onregelmatige meervouden, met name van mannelijke woorden, gebruiken umlaut in de meervoudsvorming. Vergelijk de paren appel - eppel, man - men, sjtool ("stoel") - sjteul, voot ("voet") - veut. Heeft het woord in het enkelvoud een sleeptoon dan verandert deze in het meervoud in een stoottoon. Ook vrouwelijke en onzijdige woorden kunnen een dergelijk meervoud krijgen: bank - benk; book ("boek") - beuk. In de westelijke dialecten kan een eind-d of -t in een -j veranderen: zie bijvoorbeeld het Maastrichtse draod - dräöj (Roermonds: draod - dräöd).
Onzijdige woorden hebben vaak een meervoud op -er; dit komt veel vaker voor dan -eren in het Nederlands. Het is dan ook niet alleen kind(j) - kinder/kinjer/kinger en blaad - blaojer, maar ook dörp ("dorp") - dörper, glaas ("glas") - glazer en sjtök ("stuk") - sjtökker.
Het meest in het oog springende meervoud is echter dit type meervoud dat alleen van zijn enkelvoud te onderscheiden is door verandering van toon. Het enkelvoud heeft de sleeptoon, het meervoud de stoottoon. Volgens eus mojertaol, een beschrijvende grammatica van het Maastrichts, zijn er in dat dialect tien woorden die deze manier van meervoudsvorming kennen: bein ("been)", berg, derm ("darm"), erm ("arm"), körf ("mand"), peerd ("paard"), stein ("steen"), vörm ("vorm"), weeg ("weg") en wörm ("worm"). Veel dialecten kennen meer van dat soort paren, andere juist minder. Een soort meervoud dat hier zeer op lijkt is rink ("ring") - ring, maar hier verandert behalve de toon ook de slotklank.
Er zijn slechts enkele onregelmatige verkleinwoorden. Kind(j) wordt kinneke, "een beetje" kan behalve e bitje ook e bitteke zijn. In sommige dialecten hebben klankinterne processen voor meer gevallen gezorgd die zich niet aan de regels houden. Zo maakte diftongering in het Maastrichts dat het verkleinwoord van hoes huiske werd (en niet huuske bleef, zoals oostelijker), en werd door ontronding het Hasseltse boek ("boek") tot biekske (niet *buukske, wat het ooit geweest moet zijn).
Om te beginnen maakt het Limburgs geen verschil tussen sterke en zwakke verbuiging. In het Nederlands dient na aanwijzende voornaamwoorden en bepaalde lidwoorden ook bij onzijdige woorden een -e toe te voegen ("dat oude huis"), terwijl er bij onbepaalde lidwoorden en afwezigheid van lid- of voornaamwoorden bij het onzijdig die -e moet weglaten ("een oud huis"). In het Limburgs daarentegen is het in alle gevallen verplicht om bij onzijdige woorden in het enkelvoud geen uitgang aan te plakken.
Treedt er wel een geval van zwakke verbuiging op dan heeft men te doen met een spreker die (onbewust) Nederlandse elementen door zijn Limburgs mengt.
Belangrijker is het bestaan van twee klassen bijvoegelijke naamwoorden. Leden van de eerste klassen krijgen als ze bij een mannelijk zelfstandig naamwoord horen een uitgang -e(n) (de -n verschijnt onder dezelfde omstandigheden als eerder bij het lidwoord besproken), bij vrouwelijke en meervoudige woorden een uitgang -e, en bij onzijdige woorden geen uitgang. Als voorbeeld volgt hier het adjectief sjterk ("sterk"):
In de tweede klasse echter wordt bij vrouwelijke en meervoudige woorden de -e afgekapt. Daardoor is de vorm gelijk aan die van onzijdige woorden. Er is vaak echter nog wel een toonsverschil: de vrouwelijke/meervoudige vorm heeft altijd de stoottoon, de onzijdige vorm kan ook een sleeptoon hebben. Het afkappen van de -e vindt plaats als de stam van het adjectief uitgaat op een f, j, l, m, n, ng, r of w, en vaak ook na een g of s. Een (Maastrichts) voorbeeld met het woord sjoen "mooi":
(De accenten geven de tonen aan; een accent grave voor de stoottoon, een accent circonflexe voor de sleeptoon. Die worden gewoonlijk niet uitgeschreven.)
Het vragend voornaamwoord is wae, ook dit heeft in het oosten een datief/accusatiefvorm, namelijk waem.
Het wederkerend voornaamwoord zich is in de meeste Limburgse dialecten aanwezig en wordt dus niet vervangen door z'n eige. Het woord elkaar bestaat juist weer niet: hiervoor gebruikt men constructies als zich óngerein.
In de persoonlijke voornaamwoorden valt het bestaan van doe "jij" op. Behalve in het westen van het Limburgse taalgebied is dit algemeen aanwezig, hoewel men vaak ook de voorwerpsvorm dich voor het onderwerp gebruikt. In de zuidelijke helft van Belgisch Limburg kent men het woordje dzjië voor ofwel jij of jullie.
Bij sterke werkwoorden treedt geregeld umlaut op in de tweede en derde persoon enkelvoud. Deze umlaut verloopt niet volgens de strakke regels die voor verkleinwoorden gelden. Als voorbeeld volgt valle "vallen".
Verder bestaan er nog veel werkwoorden met onregelmatigheden in hun tegenwoordige tijd, veel meer dan in het Nederlands. Vergelijk bijvoorbeeld zègke ("zeggen") - hae zaet. Geheel onregelmatig is het werkwoord zeen/zien "zijn", net als in alle Germaanse talen. Als voorbeeld volgen hier het Maastrichts en het Sittards, waaruit ook de grote onderlinge verschillen blijken.
Er is een aanzienlijke groep onregelmatig zwakke werkwoorden met in de verleden tijd een stam op -t, bijvoorbeeld heure - ich hoort en veule ("voelen") - ich voolt.
Het Zuidoostlimburgs, dat van nature al erg dicht bij het Duits staat, heeft bovendien ook een grote Duitse invloed ondergaan, vergelijkbaar met de Franse invloed op het Maastrichts. Vergelijk:
Merk ook op dat Kerkrade tot 1815 (het Congres van Wenen) deel van de stad Herzogenrath was.
Een willekeurig aantal (Nederlands) Limburgse woorden en hun (vertaling) naar het Nederlands:
Onzevader
(Valkenburgs)provincie Limburg (België) | Nederlands-Limburg | provincie Vlaams-Brabant | Noord-Rijnland-Westfalen | Nederlandse streektaal en dialect | Vlaamse streektaal en dialect
Limburgs | Limburgisch-Bergisch | Λιμβουργιανή γλώσσα | Limburgish language | Limburga lingvo | Idioma limburgués | Limbourgeois | Limburchsk | לימבורגית | Limburghese | リンブルグ語 | Limbourgek | Lingua Limburgica | Limburgs | Limburgisch | Limbörgs | Język limburgijski | Língua limburguesa | Limba limburgheză | 林堡语
This article is licensed under the GNU Free Documentation License.
It uses material from the
"Limburgs".
Home Page • arts • business • computers • games • health • hospitals • home • kids & teens • news • physicians • recreation• reference • regional • science • shopping • society • sports • world