Een letter is een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven. De letters die in een taal gebruikt worden, vormen samen het alfabet van die taal. Een kleine hoeveelheid letters is hierbij genoeg voor alle woorden. Onder de tien tekens is al mogelijk, maar hoe beter de letters de spraak en dus alle klanken moeten kunnen vertegenwoordigen, hoe meer tekens er nodig zijn. Toch blijft dit aantal altijd onder ongeveer vijftig, wat een alfabet tot een handiger uitvinding maakt dan de hiërogliefen.
De eerste schriften bestonden uit gestileerde symbolen voor concrete begrippen. Als men het woord voor waterkan wilde opschrijven, maakte men een tekening van een kan. Dit noemt men pictogrammen. Later volgde het gebruik van ideogrammen: het teken voor zon werd ook gebruikt voor begrippen als "dag" en "licht". Nog later verbond men pictogrammen met de klank van het woord (fonogrammen). Het teken van de waterkan kon bv. ook gebruikt worden in de zin "dat kan ik" of in het woord "kant". Pictogrammen, ideogrammen en fonogrammen werden door elkaar gebruikt en leverden een soort rebusschrift op. Voorbeelden hiervan zijn het spijkerschrift (3000 v. Chr., Soemerië) en de vroege hiërogliefen (2500 v. Chr., Egypte). De Egyptenaren gingen het verst met de ontwikkeling tot klankschrift.
Van de Griekse beschaving werd het alfabet door de Romeinen overgenomen (circa 300 v. Chr.). Omdat het Latijn wat andere klanken kende, veranderde er in de loop der eeuwen enkele kleinigheden in het Griekse alfabet. Wij noemen dit alfabet het Latijns schrift.
Het Cyrillisch alfabet, dat gebruikt wordt in veel slavische talen, is ook afkomstig van het Grieks alfabet. Het werd in de 9de eeuw speciaal voor de Slavische vertaling van de Bijbel ontworpen door de Byzantijnse geleerde broers Cyrillus en Methodius.
De alfabetten in Zuid-Azië en Zuidoost-Azië hebben hun oorsprong in India.
Rond 300 raakte het gebruik van perkament en vellum (gemaakt van dierenhuiden) meer en meer in zwang. Het oppervlak hiervan was veel gladder en leende zich voor fijner schrift. In die tijd raakte ook het gebruik van de ganzenveer in zwang, die ook een fijner schrift kon produceren. Papyrusgeschriften moesten opgerold bewaard worden, maar het gebruik van perkament maakte het mogelijk de "codex" te ontwikkelen: afzonderlijke bladzijden ingenaaid en ingebonden in een kaft.
Toen rond 800 door Karel de Grote weer een eenheid gesmeed was binnen Europa, verstrekte Karel aan enkele schrijfmeesters de opdracht een lettertype te ontwikkelen dat algemeen gebruikt zou worden in kloosters en wetenschappelijke instituten. De schrijfmeesters grepen terug op de unciaalvorm, maar werkten deze letter uit met stokken en staarten. Deze letter werd de Karolingische minuskel genoemd. De schrijfmeesters stelden ook regels op voor het indelen van schrijfwerk: de hoofdtitel werd uitgevoerd in Romeinse kapitalen, subtitels in rustica of unciaal en de tekstblokken in de minuskel.
Omdat het schrijven door ambachtslieden geschiedde, die voor opdrachtgevers werkten, ontwikkelden zich geen persoonlijke handschriften en daarom was de vorm van de Karolingische minuskel eeuwenlang in gebruik gebleven. Toch is er wel invloed op de lettervorm te ontdekken: zo ontstond er door kennismaking met oosterse beschavingen een ietwat amandelvormige variant en zeker de gotische stijl was van invloed op het lettertype: er ontstonden hoekige vormen. In Duitsland ging met het verst met deze hoekige vormen. Daar schreef men de letters extreem smal en hoekig, waardoor een star en lastig leesbaar schriftbeeld ontstond, het Gotisch.
Het gebruik van de boekdrukkunst leidde nog wel tot het ontstaan van een nieuw, handgeschreven lettertype. Op de koperplaat bleek men zeer fijne letters te kunnen graveren, en door toepassing van verschillende hulpmiddelen kon men buitengewoon fijne krulpatronen maken, veel verfijnder dan ooit met handschrift mogelijk zou zijn. De vorm van de ganzenveer kon deze fijne letter- en krulpatronen niet maken, maar na 1850 werd op grote schaal de metalen pen in productie genomen, waardoor men met de pen het copperplate-schrift kon namaken: dit schrift kenmerkt zich door de schuine stand, de dunne ophalen en de dikke neerhalen, het aaneenschrijven van de letters met sierlijke ophalen en de lussen aan kop- en staartletters (ook wel het lopend schrift genoemd). Deze schrijfwijze is het schrift dat in Nederland op vele scholen tot in de jaren 1960 aan de kinderen op Nederlandse lagere scholen werd geleerd.
De belangstelling voor de oude kalligrafie herleefde rond 1850 als vorm van hobby. Nadat de Engelse huisarts Edward Johnston rond 1900 de oude lettervormen had bestudeerd, gaf hij in 1906 een leerboek uit voor kalligrafie. Johnston ontwikkelde ook nieuwe lettervormen. Mede door zijn werk groeide de hobby van het kalligraferen uit tot de zelfstandige kunstvorm, die het heden ten dage is. Nu kalligrafie een kunstvorm is, worden er vele alfabetten ontwikkeld, met zeer persoonlijke kenmerken.
De talen in zuid- en zuidoost-azië hebben hun eigen klanken, letters en alfabetten, die in meer of mindere mate op elkaar lijken. Dit is zo omdat de alfabetten in deze regio zijn gebaseerd op een of meer oude indische alfabetten of schriften. Ook is er in sommige landen een sterke Chinese invloed op de klanken, terwijl men toch een alfabet gebruikt (in China gebruikt men geen alfabet maar karakters of symbolen). Ook al lijken deze Aziatische letters en alfabetten voor westerlingen soms op het eerste gezicht op elkaar, toch kan bijvoorbeeld een Thai het Indische alfabet niet lezen, en moet hij het Indische alfabet van de grond af aan leren. Elk land heeft er zijn eigen alfabet, gebaseerd op het Indische alfabet, en gebruikt een eigen schrift. Het Indiaas en het Nepalees gebruiken een sterk op elkaar gelijkend schrift. Ook het schrift van Laos en Thailand lijkt op elkaar. Het schrift van Myanmar heeft veel weg van dat in Sri Lanka. In Zuidoost-Azië (Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam) is er ook een grote Chinese invloed op de taal, wat zich uit in het gebruik van verschillende tonen of klanken. Daar westerlingen niet aan het gebruik van verschillende tonen in een taal gewend zijn, kan een westerling vaak geen verschil in uitspraak ontdekken in woorden die dezelfde klank gebruiken maar andere tonen. Het woord 'Maa' in Thailand heeft, afhankelijk van de toon waarmee het woord uitgesproken wordt, de volgende betekenis: paard, hond, kom (werkwoord). En 'Kie Maa' betekent, afhankelijk van de gebruikte tonen, ofwel paardrijden of hondepoep. Deze tonen worden ook opgeschreven in het thaise schrift, al worden ze niet gerekend tot het Thais alfabet, dat uit meer dan 70 letters bestaat. De oosterse alfabetten hebben alle het kenmerk dat een letter soms vóór, soms ná, soms bóven en soms ónder de voorgaande letter kan worden geschreven. Men leest een pagina net als in het westen: van links naar rechts en van boven naar onder.
Voorbeelden van letters uit verschillende landen:
Buchstabe | Písmeno | Bogstav | Buchstabe | Litero | Lettre | Lettera alfabetica | Charakter