Kennis is dat wat de mensen weten en wat ze kunnen toepassen. Dit wordt gevormd door de beschrijvingen, concepten, hypotheses, omschrijvingen, principes, procedures, theorieën, verklaringen en voorspellingen die we met een redelijke mate van zekerheid waar of nuttig achten. Wat in een maatschappij als kennis wordt gezien, is cultureel bepaald. Wat in de ene cultuur als waar wordt gezien is dat niet ook automatisch in de andere cultuur, en ook de waarde van bepaalde kennis verschilt per cultuur.
In publicaties over kennismanagement en kenniseconomie worden twee soorten kennis onderscheidenIkujiro Nonaka en Hirotaka Takeuchi (1995), The Knowledge-Creating Company.:
Ook onderscheidt men soms 'tacit' kennisPhilippe Baumard (1999), Tacit knowledge in organizations., refererend naar Michael Polanyis begrip tacit knowingMichael Polanyi (1966), The tacit dimension..
In een late dialoog, de Theaetetus, probeert Plato het begrip wetenschappelijke kennis te definiëren. Hij omschrijft kennis (epistêmê) als alêthês doxa meta logou: “een ware mening met een reden” (Plato, Theaetetus, 201C-D). Het woord doxa kan ook “oordeel” of “overtuiging” betekenen, maar deze betekenissen cirkelen rond het zelfde begrip. Logos betekent in de eerste plaats “woord”, maar ook “rekenschap, ratio, rede en reden”. Wanneer je een mening hebt over de wereld, dan staat deze los van de wereld zelf. Je mening is slechts een gedachte over de wereld, je gelooft iets met betrekking tot de wereld zonder je af te vragen of er overeenstemming is tussen de gedachte wereld en de werkelijke wereld. Deze overeenstemming tussen gedachte wereld en werkelijke wereld, tussen denken (of spreken) en werkelijkheid wordt waarheid genoemd. Maar kun je een ware mening kennis noemen? Neen, zegt Plato, want je kunt ook bij toeval een ware mening hebben, door een gelukkige gissing de waarheid denken. Vandaar de toevoeging “met reden”. Kennis moet zich kunnen verantwoorden, moet aangeven volgens welke redenering men gekomen is tot de ware mening.
Aristoteles geeft in het eerste hoofdstuk van zijn Metaphysica (A1-2) een interessante analyse van kennis. Volgens hem verlangt de mens van nature naar kennis, hetgeen men kan opmaken uit het plezier dat hij ontleent aan zintuigelijke waarneming (aisthêsis), vooral aan het zien van de dingen. Uit de waarneming ontstaat geheugen (mnêmê), een soort innerlijk nabeeld dat door herinnering is op te roepen. Vele waarnemingen en de herinnering daarvan leiden tot ervaring (empeiria). Vakkundigheid of “kunst” (technê) komt voort uit veel ervaring van gelijksoortige situaties; een voorbeeld dat Aristoteles uitwerkt is de geneeskunde. Technê is volgens hem altijd praktisch of productief. Veel vaklui doen hun werk zonder precies te weten wat zij doen, routinematig, maar de meesters weten wél wat zij doen en zijn om die reden in staat hun vakkennis over te dragen. Wetenschappelijke kennis (epistêmê) is niet productief, maar altijd theoretisch: epistêmê is weten om het weten en nooit gericht op praktisch nut of genot. Zo is in Egypte de wiskunde ontstaan omdat de tempelpriesters voldoende vrije tijd hadden en zich niet hoefden bezig houden met het voorzien in hun levensbehoeften. Aristoteles geeft geen definitie van kennis, maar herleidt haar tot de eigenschap nieuws- of weetgierigheid.
Empirisme. Als kennisbronnen van de mens komen gevoel of zintuiglijkheid en verstand in aanmerking. De opvatting dat al onze kennis afkomstig is uit zintuiglijke ervaring (empirie) noemt men empirisme.
Rationalisme. Tegenhanger van empirisme is rationalisme, dat gelooft dat het verstand (ratio) de uiteindelijke bron van onze kennis is.
Criticisme, genoemd naar het hoofdwerk van Immanuel Kant, De kritiek van de zuivere rede (1781), slaat een brug tussen empirisme en rationalisme. Hoe de werkelijkheid is weten wij niet en kunnen we niet weten. Zij verschijnt ons (empirisch) via de zintuigen, maar gefilterd en aangepast. Wij voegen aan de dingen de aspecten ruimte en tijd toe, zonder te weten of ruimte en tijd wel eigenschappen van de dingen zijn. Daarna gaat onze rede met de zintuigelijk verkregen informatie (rationeel) aan de slag. Ook de ratio voegt iets aan deze informatie toe, omdat zij werkt volgens wat Kant oordeelsvormen noemt. Voorbeelden van oordeelsvormen zijn eenheid, veelheid, realiteit, ontkenning, oorzaak-gevolg, noodzakelijkheid-toevalligheid enzovoort.
Pragmatisme. Het pragmatisme is niet geïnteresseerd in het ware wezen van de werkelijkheid. Francis Bacon was de eerste pragmaticus; hij streefde niet naar kennis van de natuur, maar naar het dienstbaar maken van de natuur aan de mens. In die context heeft hij zijn bekende uitspraak “kennis is macht” gedaan. Waarheid en werkelijkheid zijn alleen hypothetisch van belang: waar of werkelijk is wat nog niet is gefalsifieerd. Het kennisbegrip zoals dat in de kenniseconomie tot uitdrukking komt is zoals gezegd pragmatisch: het gaat daar om de kennis die “werkt” of de “macht” heeft om economische belangen te dienen.
Scepticisme. Het scepticisme staat lijnrecht tegenover het pragmatisme: aangezien we de werkelijkheid niet kunnen kennen, kunnen we er niet over oordelen en weten we niet hoe we moeten handelen. De scepticus staat machteloos tegenover de wereld.
Filosofische terminologie | Formele wetenschap Informatie | Mens en maatschappij | Wetenschapsfilosofie
Coneixement | Viden | Wissen | Knowledge | Scio | Conocimiento | Connaissance | ידע | Conoscenza | 知識 | 지식 | Kunnskap | Wiedza | Conhecimento | Знание (понятие) | Knowledge | Znanje | Pangaweruh | ความรู้ | Bilgi | Tri thức | 知识 | Tì-sek