Immigratiebeleid is beleid waarbij de toelating van migranten centraal staat. Integratie valt daar niet onder, daarvoor is er het integratiebeleid.
Tot de 20ste eeuw
In
Nederland vestigden zich van oudsher
immigranten. Nederland was vanaf de 16e/17e eeuw een handelsnatie, waardoor er veel vreemdelingen kwamen en soms bleven. Omdat Nederland bekend stond als tolerant land en al vroeg een zekere mate van
vrijheid van godsdienst kende, kwamen er nogal wat vluchtelingen naar Nederland. Grote stromen waren de Portugese en Spaanse
Joden (
sefardiem) in de 16e eeuw, Hoogduitse Joden (
asjkenaziem) in het begin van de 17e eeuw en Franse
hugenoten aan het einde van de 17e eeuw. Allen kozen zij Nederland omdat ze in het land van herkomst vervolgd of gediscrimineerd werden omwille van hun religie. Voor de Hoogduitse Joden zat er ook een economisch aspect aan de immigratie, in Oost-Europa (waar de asjekenaziem vandaag komen) leden ze onder andere door uitsluiting en discriminatie bittere armoede, ze hoopten in Nederland werk te vinden en zo een beter bestaan op te bouwen. De sefardiem en hugenoten waren over het algemeen niet armlastig, de meeste sefardiem waren zelfs in zeer goede doen.
Na de Gouden Eeuw (17e eeuw) gaat het Nederland niet meer voor de wind. Ook in die periode (18e en 19e eeuw) komen er vanuit het buitenland mensen naar Nederland, maar grote stromen deden zich niet (meer) voor. Economische vluchtelingen kende Nederland in die tijd niet of nauwelijks, Nederland behoorde immers zeker niet tot de rijkste landen van Europa. De overheid bemoeit zich voor de 20ste eeuw nauwelijks met de immigratie, Nederland was politiek gezien een nachtwakersstaat met een overheid die alleen op de achtergrond opereerde. Van enig beleid rond immigratie is in die tijd in ieder geval geen sprake.
20ste eeuw
Tot 1930: De Eerste Wereldoorlog
Belgische_Vluchtelingen_1914.jpg
Op 4 augustus 1914 viel Duitsland het tot dan toe neutrale
België binnen, daarmee was de
Eerste Wereldoorlog (1914-1918) een feit. In de daaropvolgende maanden werd het neutrale Nederland overspoeld door vluchtelingen uit België, naar schatting meer dan 1 miljoen Belgen zochten hun heil in Nederland. Ook Engelse en Duitse vluchtelingen melden zich in ons land, maar hun aantal viel in het niet bij de Belgen. Het overgrote deel van de vluchtelingen keerde al voor het einde van 1914 terug naar huis. Zo'n 100.000 Belgen bleven in Nederland achter om het einde van de oorlog af te wachten, hiervan verbleven er 20.000 in Amsterdam. De in Amsterdam verblijvende ontheemde Belgen werden in eerste instantie opgevangen in grote, onverwarmde loodsen in de haven. Daar kampeerden ze tot ze een ander onderdak kregen toegewezen. Tientallen gebouwen in de stad werden ingericht tot tijdelijk opvanghuis. Ook de Amsterdamse burgers deden hun best om de ontheemde Belgen in huis te nemen of om voor eten en kleding te zorgen. Andere vluchtelingen die niet zelf in hun eigen onderhoud konden voorzien (zo'n 20.000) werden ondergebracht in kampen in Gouda, Uden, Nunspeet en Ede. Na afloop van de oorlog, in 1918, vertrokken vrijwel alle vluchtelingen huiswaarts.
Jaren 30: Joodse vluchtelingen
Jodenwijk_1942_Amsterdam.jpg
De eerste keer dat er toelatingseisen worden gesteld aan vreemdelingen is in 1935. In 1933 komen in
Duitsland de
nazi’s aan de macht. Als de nazi’s in 1935 de
Neurenberger rassenwetten invoeren (die Joden alle
burgerrechten ontnemen) komt er een stroom van Joodse
vluchtelingen op gang richting Nederland. Om de stroom in te dammen besluit de
regering in 1935 eisen te stellen: alleen bemiddelde Joodse vluchtelingen worden toegelaten. Alle anderen moeten bewijzen dat ze in hun land van herkomst écht gevaar lopen. Dat bewijs was moeilijk te leveren, zodat maar weinig Joden Nederland binnenkomen. De regering had twee redenen om de stroom vluchtelingen in te dammen. Ten eerste was het de
crisistijd, het land verkeerde in slechte economische omstandigheden, de
inflatie was torenhoog net als de
werkloosheid. Ten tweede was men bang dat de toelating van veel Joden het opkomende
anti-semitisme in de kaart zou spelen. In de aanloop naar de oorlog scherpte Nederland de toelatingseisen nog verder aan. Na de
Kristallnacht in 1938 kwamen er alleen maar meer vluchtelingen. Als reactie daarop werd in mei 1938 de grens voor Joden helemaal dichtgegooid, Joden werden voortaan als ongewenste vreemdelingen beschouwd. Overigens loste het ‘Joodse probleem’ zich op zonder Nederlands ingrijpen. Vanaf het voorjaar van 1942 werden joden in heel Nederland gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Daar werden zij in drie speciale wijken bijeen gedreven: rond het Waterlooplein, in de Transvaalbuurt en in de Rivierenbuurt. Joden moesten zich melden voor vertrek naar 'werkkampen'. Van de 140.000 Joden die voor de oorlog in Nederland woonden, waren er na de oorlog nog zo’n 30.000 over. De rest was gevlucht of (vaker) vermoord tijdens de
holocaust. In de jaren na WO II zullen er nog duizenden joden vertrekken richting Amerika of
Palestina.
Soevereiniteitsoverdracht_Indie_1949.jpg
Tussen 1945 en 1965 vertrokken ongeveer 300.000 Nederlanders,
Indo’s
Indonesiërs (waaronder een grote groep
Molukkers) naar Nederland, in vijf 'golven'. De grootste 'golf' arriveert in Nederland rond de
soervereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949. De migratie van deze groep personen werd aangeduid met 'repatriëring', al waren veel van deze mensen nooit eerder in Nederland geweest. Echt welkom waren ze in aanvang niet. Nederland verkeerde vlak na de oorlog in een belabberde situatie, de werkloosheidsheid was hoog net als de
woningnood. Veel aandacht voor de
Indo's was er niet, ze moesten zich aanpassen en meedoen.
Jaren 50: Emigratie
Emigratie_jaren_50.jpg
Na de Tweede Wereldoorlog ligt Nederland in puin. Het land is verarmd, fabrieken en woningen zijn verwoest, de woningnood en werkloosheid is hoog. Hoewel het armoe troef is, begint de bevolking juist te groeien door de naoorlogse geboortegolf. Ook de komst van de Indo's komt op dat moment ongelukkig uit. De Nederlandse regering besluit emigratie te promoten. Begin 1950 spreekt minister-president Willem Drees het volk toe in zijn nieuwjaarstoespraak en zegt: ‘Een deel van ons volk moet het aandurven zoals in vroeger eeuwen zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan in het eigen land'. De overheid start een heuse campagne met posters, voorlichtingsfilms en bijeenkomsten die mensen enthousiast moeten maken voor vertrek naar elders. In de jaren '50 zullen 500.000 Nederlanders vertrekken, vooral naar Canada, Amerika en Australië. Niet alleen de armoede verjaagd Nederlanders uit hun vaderland, ook de dreiging van een nieuwe oorlog stimuleert het vertrek. De jaren '50 is de start van wat later de Koude Oorlog zal gaan heten.
Jaren 60: Arbeidsmigratie
De
wederopbouw verloopt sneller dan verwacht, ook de
industrialisatie verloopt voorspoedig. Hoewel er nog steeds mensen vertrekken naar elders, heeft Nederland aan het einde van de jaren ’50 arbeidskrachten nodig. In het begin worden de arbeiders vooral geworven in het zuiden van Europa (
Spanje en
Italië). Halverwege de jaren ’60 volgen wervingsacties in
Turkije en
Marokko. Nederland werft vooral laaggeschoolden omdat die het meest nodig zijn in de nieuwe industrie.
Zuid-Europa, Turkije en Marokko
Welkom_Gastarbeiders.jpg
Dit is een uitzonderlijke periode, Nederland heeft in het verleden nooit immigratie gestimuleerd. Dit zal ook de enige periode blijven waarin bewust migranten zijn aangetrokken. Het toelatingsbeleid is in die tijd vanzelfsprekend ruim. In eerste instantie ging de werving van buitenlandse werknemers grotendeels buiten de overheid om. Werkgevers legden zelf de benodigde contacten in Zuid-Europa en later Turkije en Marokko. Pas later nam de overheid het heft in handen en sloot zij wervingscontracten met deze landen. De krapte op de arbeidsmarkt en de werving van arbeidskracht werd daarmee een nationale kwestie. Parallel aan de officiële werving van arbeidsmigranten kwam een omvangrijke ‘spontane’ immigratiestroom op gang. De overheid laat deze immigratie - buiten de officiële kanalen om – oogluikend toe. De arbeiders krijgen allemaal tijdelijke contracten, na een paar jaar moeten ze terugkeren. Ook houdt hun contract en daarmee verblijfsstatus op te bestaan als er geen werk meer is. Later zal blijken dat hier niets van terechtkomt.
Integratie in de jaren ‘60
Van enig integratiebeleid is in de jaren ‘60 geen sprake.
Gastarbeiders kunnen en moeten zelfs hun eigen
identiteit behouden (eigen taal, eigen
religie, eigen gewoonten), dat is makkelijker als ze weer teruggaan naar hun eigen land.
Jaren 70: Crisis, Gezinshereniging en Surinamers
In 1973 is er de
oliecrisis, Nederland raakt in een economische dip, de werkloosheid neemt snel toe. In de jaren ’60 was er bijna volledige
werkgelegenheid, maar daar is in de jaren ‘70 geen sprake meer van. Deze crisis zal tot in de jaren ’80 aanhouden. Nu er geen behoefte meer is aan extra arbeidskrachten, wordt de arbeidsmigratie in 1973 stopgezet.
Turken en Marokkanen
Vooral de industrie heeft het zwaar te verduren, bijna wekelijks worden nieuwe grootscheepse
ontslagen aangekondigd. De laagopgeleiden zijn de eerste slachtoffers van de ontslaggolf. Hierdoor moeten veel gastarbeiders een beroep doen op sociale voorziengen. Zo komt aan het licht dat in weerwil van de tijdelijke contracten een grote groep arbeidsmigranten – vooral Turken en Marokkanen – al veel langer in Nederland verbleven dan ooit de bedoeling was geweest. Zij bleken zich niet of niet afdoende geregistreerd te hebben, doordat ze werk hadden viel dat niet op. Maar nu ze een
uitkering nodig hebben, is registratie noodzakelijk.
Illegalen
De wervingsstop creërt ook een grote groep
illegalen in Nederland – de voormalige ‘spontane gastarbeider’, die buiten de officiële kanalen om naar Nederland was gekomen. Omdat de overheid de illegaliteit zelf in de hand heeft gewerkt, door spontane arbeidsmigratie te gedogen, besluit men tot een éénmalige regularisatie in 1975. Vijftienduizend illegalen laten zich registreren.
Restrictief toelatingsbeleid
Vanaf 1973 doet dan een echt toelatingsbeleid of immigratiebeleid z’n intrede. De overheid wil de migratie naar Nederland beperken en doet dit met een restrictief (afhoudend) beleid. Uitzonderlijk is dat niet, want midden jaren ’70 zien we in vrijwel alle landen van
West-Europa een restrictief toelatingsbeleid. Dit restrictieve beleid richt zich vooral op migranten uit niet-westerse landen.
Gezinshereniging en gezinsvorming
In tegenstelling tot het streven van de overheid groeide de populatie van de oorspronkelijke arbeidsmigranten sterk, als gevolg van de
gezinshereniging. Veel voormalige gastarbeiders laten hun gezin overkomen. Gezinshereniging kon de overheid niet beperken, omdat het ‘recht’ op gezinshereniging is vastgelegd in verschillende internationale verdragen. Zo kan volgens het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (
EVRM) iedereen die legaal in een van de landen van de
Europese Unie woont zich beroepen op het recht op familieleven. Van dit verdrag zijn het recht op gezinshereniging en het recht op
gezinsvorming afgeleid.
Surinamers
Surinamers_in_Rotterdam_1979.jpg
In de jaren ’70 krijgt Nederland ook nog te maken met een omvangrijke stroom migranten uit
Suriname. Tot halverwege de jaren ’60 komen er maar mondjesmaat mensen uit Suriname, deze migranten komen om te studeren en keren na afronding van hun studie veelal terug naar hun geboorteland. Vanaf 1965 verandert dat beeld, er komen meer laagopgeleiden die proberen hier een baan te vinden. Ook de uitbreiding van de
verzorgingsstaat – Nederland kent in die tijd hoge uitkeringen die vrij makkelijk worden toegekend – lokt Surinaamse migranten naar Nederland. De overheid probeert de stroom in te dammen, maar omdat het
Statuut van het Koninkrijk (uit 1954) maar één
staatsburgerschap voor het hele
Koninkrijk kent, zijn de Surinamers gewoon staatsburger en kunnen ze niet geweigerd worden. Als Suriname in 1975 onafhankelijk wordt, wil de Nederlandse regering meteen een einde maken aan het staatsburgerschap van Surinamers. De nieuwe Surinaamse regering gaat hier niet mee akkoord, uiteindelijk komt men tot een overgangsregeling van vijf jaar. Van 1975 tot 1980 blijft vrij verkeer van personen tussen Nederland en Suriname bestaan. Het restrictieve beleid van Nederland en de overgangsregeling produceren juist waar Nederland zo bang voor was: een grote stroom migranten. Surinamers hadden de indruk dat Nederland zijn deuren voorgoed voor hen zou sluiten. Dit deed velen besluiten van de ‘laatste mogelijkheid’ gebruik te maken, eerst vlak voor de onafhankelijkheid in 1975 en daarna vlak voor het aflopen van de overgangsregeling in 1980. In totaal zullen zo’n 300.000 Surinamers emigreren naar Nederland – dat is meer dan 1/3 van de totale Surinaamse bevolking.
Integratie in de jaren ‘70
Net als in de jaren ’60 is er nauwelijks sprake van integratiebeleid. Nederland is nogal overvallen door het feit dat veel gastarbeiders blijven en hun gezin uit het land van herkomst over laten komen. Nog steeds koestert men de hoop dat de gastarbeiders – volgens plan – terug zullen keren naar hun land van herkomst. De voormalige gastarbeiders denken dat zelf ook, maar financiële belemmeringen zijn zo groot dat het merendeel zich gedwongen ziet te blijven. Onderwijs in eigen taal en cultuur wordt nog steeds gegeven, net als in de jaren ’60 gericht op terugkeer.
Opvangcentra bieden Surinamers zonodig tijdelijk onderdak en directe hulp. Vanuit de opvangcentra worden zij door de overheid over heel Nederland verspreid: het zogenaamde spreidingsbeleid, gepropageerd tussen 1973 en 1975. De aldus 'verspreide' migranten behoren vooral tot de Hindoestaanse groep, die grotendeels afkomstig was van het Surinaamse platteland. Hun Nederlands is slecht en het opleidingsniveau van de gezinshoofden betrekkelijk laag. Zij raken, mede door slechte begeleiding en een gebrek aan nazorg, geïsoleerd van andere Hindoestanen en ook moeilijk bereikbaar voor de Surinaamse welzijnsstichtingen. Een deel van hen trekt naderhand naar de grote steden, waar familieleden en vrienden wonen en waar zij groepsmanifestaties kunnen beleven.
Jaren ’80: Multiculturele samenleving, asielzoekers en achterstand
Vanaf de jaren ’80 wordt duidelijk dat de voormalige gastarbeiders niet meer terug zouden keren. Nederland is een multiculturele samenleving geworden, waarover sommigen de loftrompet steken en waar anderen van gruwen. In de jaren ’80 krijgt Nederland ook te maken met een grote toestroom van vluchtelingen.
Schotelcity.jpg
Gezingshereniging en gezinsvorming
Gezinshereniging en gezinsvorming door vooral niet-westerse allochtonen gaat gewoon door, hierdoor neemt de groep steeds meer in omvang toe. Zo’n 3/4 van de Nederlanders met een Turkse of Marokkaanse achtergrond kiest voor een bruid of bruidegom uit het land van herkomst. Ondanks de beperkende verdragen stelt de overheid toch enkele beperkingen in, zo worden er eisen gesteld aan de huisvesting en het inkomen van de al in Nederland aanwezige
partner. Er gelden wel verschillende eisen voor respectievelijk Nederlanders, EU-burgers en anderen, waarbij aan de ‘anderen’ strengere eisen worden gesteld.
Asielzoekers
In de jaren ’80 komt daar nog een migrantenstroom bij: de
asielzoekers. Door de toegenomen communicatie is overal ter wereld te zien hoe mensen elders leven, dat geldt ook voor arme en/of onveilige landen. Ook vervoer wordt steeds eenvoudiger, deze twee feiten zorgen ervoor dat het aantal asielzoekers sterk toeneemt. In 1980 meldden zich nog zo’n 1000 asielzoekers per jaar aan de poort, in de jaren ’90 zijn 40.000 asielzoekers per jaar niet uitzonderlijk. Toen de aantallen nog klein waren, werd per geval gekeken of iemand recht had op een
vluchtelingenstatus. Vaak werden er ook vluchtelingen uitgenodigd via de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties (
UNHCR). Met het stijgen van het aantal ‘spontane’ asielzoekers kon de overheid zich de luxe van een uitgebreid onderzoek per geval niet meer veroorloven. Het toelatingsbeleid werd steeds restrictiever. En hoewel de overheid gebonden is aan het
Verdrag van Genève, ging men wel zoveel mogelijk op zoek naar de letter van het verdrag om asielzoekers te weren of in ieder geval buiten de vluchtelingenstatus te houden. Door de verscherping van het beleid daalde het aantal toegekende statussen relatief gezien, maar omdat zich steeds grotere aantallen mensen meldden, werden er absoluut toch steeds meer mensen toegelaten. Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (
IND) krijgt zo’n 20 procent van de aanvragers een permanente of tijdelijke status voor verblijf in Nederland. Dit percentage is door de IND wellicht iets geflatteerd – op basis van onderzoek concludeerden de wetenschappers Doornbos en Groenendijk (2001) dat het percentage toekenningen ruim boven de 40 procent ligt. Wat wel verandert is dat het aantal permanente statussen afneemt, steeds meer mensen krijgen een tijdelijke
verblijfsvergunning. Tijdelijke opvang is meer de norm geworden, een trend die ook in andere Europese landen te zien is.
Tot 1987 was de opvang van asielzoekers redelijk ad-hoc geregeld. Mensen werden veelal opgevangen door gemeenten en hadden direct toegang tot alle faciliteiten van de verzorgingsstaat: woning, uitkering, onderwijs. Vanaf 1987 wordt de opvang centraal geregeld met een zogenaamde ‘bed-, brood- en badregeling’. Toegang tot uitkeringen, onderwijs voor volwassenen, werk etc. werd afgeschaft.
Integratiebeleid in de jaren ’80: achterstandsbeleid
Medio jaren ’80 komt de discussie op gang over het integratiebeleid. Als de voormalige gastarbeiders en hun gezinnen willen blijven, zullen ze zich ook een plek in de Nederlandse maatschappij moeten verwerven. Onderwijs in eigen taal is van de baan en behoud van eigen cultuur is twijfelachtig maar blijft – onder druk van de
allochtonen en de linkse politiek –wel geaccepteerd. Dat het niet goed gaat met vooral de niet-westerse allochtonen in Nederland is inmiddels wel duidelijk. De niet-westerse allochtonen zijn vaker laag opgeleid, vaker werkloos, leven vaker van een uitkering en belanden vaker op het criminele pad (hoewel dat pas in de jaren ’90 openlijk gezegd mag worden). Het beleid is er op gericht de achterstand van allochtonen te doorbreken. Daarmee is het integratiebeleid een
achterstandsbeleid geworden. Er is veel aandacht voor onderwijs en er worden speciale programma’s opgesteld om allochtonen te helpen op de
arbeidsmarkt.
Jaren ’90 tot nu : Antillianen, restrictief beleid, participatie
In de jaren ’90 wordt de toon rond immigratie en integratie steeds harder. Werd Hans Janmaat in de jaren ’80 nog versleten voor een racist, in de jaren ’90 zullen zijn harde woorden meer bijval vinden. Frits Bolkestein is de eerste (gerespecteerde) politicus die het allochtonenvraagstuk op de publicisten als Paul Scheffer schrijven over het multiculturele drama. En na Pim Fortuyn">Paul Scheffer"> publicisten als Paul Scheffer schrijven over het multiculturele drama. En na Pim Fortuyn is het hek van de dam – alles mag – nee, moet – openlijk gezegd kunnen worden. Immigratie wordt meer en meer aan banden gelegd en onder integratie wordt voortaan minimaal participatie verstaan. Ook de eigen verantwoordelijkheid van migranten komt meer op de voorgrond te staan.
Antillianen
Zomercarnaval3.jpg
Een nieuwe stroom migranten dient zich aan in de jaren ’90: de
Antillianen. Tot het begin van de jaren ’90 komen Antillianen vooral naar Nederland om te studeren. Het betreft kinderen van de Antilliaanse elite die prima Nederlands spreken. Vanaf midden jaren ’90 komen er steeds meer
kansarme Antilliaanse jongeren naar Nederland. In totaal wonen er 130.000 Antillianen in Nederland, dat is meer dan 1/3 van de totale bevolking van de Nederlandse Antillen. Het merendeel van de jongeren die in de jaren ’90 naar Nederland trekt, is afkomstig uit
Curaçao. Het zijn vooral Antillianen tussen de 16 en 40 jaar die op zoek gaan naar een beter bestaan in Nederland. De migratie is op gang gekomen omdat het slecht gaat op de
Nederlandse Antillen. De werkloosheid is groot, de lonen en uitkeringen laag en de kosten voor levensonderhoud hoog, 70% van de Antillianen leeft onder de
armoedegrens. De Antilliaanse jongeren zorgen vooral in de steden voor veel overlast. Het is moeilijk hen te traceren omdat ze zich zelden registreren na binnenkomst. Velen worden in Nederland opgevangen in de eigen gemeenschap (vaak familie). Ze schrijven zich niet in bij de gemeente omdat de familie daardoor problemen kan krijgen met een uitkering of andere vormen van subsidie. Migranten uit de Antillen hebben daardoor geen officieel adres in Nederland waardoor het ze ook niet lukt om werk of woonruimte te vinden. Bovendien kunnen ze geen zelfstandige uitkering aanvragen. Vaak rest hen niet anders dan
diefstal,
drugshandel of
prostitutie. Antillianen komen veel vaker in de criminaliteitsstatistieken, zo’n 10% van de in Nederland woonachtige jonge Antillianen komt op jaarbasis in aanraking met
Justitie, ter vergelijking: van de autochtonen komt jaarlijks ongeveer 0,9% in aanraking met Justitie. Van de in Amsterdam levende Antilliaanse bevolking kampt zelfs één op de vijf (is 20%) met problemen. Om de problemen het hoofd te bieden worden in Nederland allerlei maatregelen bedacht: boetes voor mensen die zich niet inschrijven, sociale uitkeringen intrekken,
visumplicht invoeren etc. Telkens stuiten de voorstellen op fel protest van de Antilliaanse gemeenschap in Nederland en het bestuur van de Nederlandse Antillen. Omdat de Antillen onderdeel zijn van het
Koninkrijk der Nederlanden is het moeilijk om tot een oplossing te komen. Formeel zijn Antillianen immers Nederlands
staatsburger en staat het ze vrij te gaan en te staan waar ze willen. Tot nu toe bevinden de Antillen en Nederland zich in een patstelling.
Gezinsvorming en gezinshereniging
Immigratiemotieven_2003.gif
Vanaf de jaren ’90 is gezinshereniging afgenomen, in de 21ste eeuw komen per jaar ongeveer 10.000 mensen naar Nederland in het kader van gezinshereniging. Gezinsvorming gaat onverdroten door, nog steeds haalt het merendeel (ruim 75%) van de niet-westerse allochtonen hun partner uit het voormalig land van herkomst. In de 21e eeuw komen per jaar ongeveer 20.000 mensen naar Nederland in het kader van gezinsvorming. Mensen die naar Nederland komen voor gezinshereniging of gezinsvorming vormen zo’n 45% van alle immigranten. In 1993 zijn de vereisten rond gezinshereniging en gezinsvorming voor niet EU-burgers verder aangescherpt. Van (niet EU) gezinsvormers wordt verwacht dat zij ten minste drie jaar legaal in Nederland verblijven. Voor gezinshereniging werd verder vastgesteld dat deze niet later dan drie jaar nadat de in Nederland wonende vreemdeling aan de daarvoor geldende eisen voldoet, mag plaatsvinden. Ook worden personen die geen recht op een permanent verblijf hebben, uitgesloten van het recht op gezinshereniging. Vanaf november 2004 is het beleid voor gezinsvorming verder aangescherpt. Er geldt nu een minimumleeftijd voor gezinsvorming van 21 jaar – die leeftijdsgrens geldt voor beide partners. De gezinsvormer moet daarnaast over een inkomen beschikken van minimaal 120% van het minimumloon en de partner in spé moet een
inburgeringsexamen doen in het land van herkomst. Dit examen moeten migranten zelf betalen. Burgers van een EU-land hoeven geen inburgeringsexamen te doen.
Asielzoekers
Begin ’90 jaren werd de Regeling Opvang Asielzoekers (
ROA) ingevoerd, die door het Centrum Opvang Asielzoekers (
COA) werd uitgevoerd. De regeling – die in 1994 al weer werd afgeschaft – voorzag in een sobere opvang voor asielzoekers. Na afschaffing in 1994 is de opvang overigens nog kariger geworden: alle asielzoekers verblijven nu in een opvangcentrum, een eigen huis voor kansrijke asielzoekers (onder de ROA nog mogelijk) is van de baan. In de jaren ’90 wilde de overheid Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk maken voor asielzoekers. Daarom werden asielzoekerscentra zo sober mogelijk gehouden. Vanuit dezelfde redenatie werd de toegang tot de
bijstand vervangen door een
zakgeldregeling van ca. 15 Euro per week. De opvang werd in 1994 uitgebreid met
Aanmeldcentra (AC’s) waar een zeer snelle selectie (binnen 48 uur) plaatsvindt om mogelijk gegronde verzoeken van de duidelijk niet-gegronde of niet-ontvankelijke verzoeken te scheiden. Mensen die een duidelijk niet-gegrond verzoek indienen, worden meteen vanuit een AC teruggestuurd. Omdat steeds minder mensen in aanmerking komen voor een permanente status, moeten er ook meer mensen uitgezet worden. Sinds 2003 kennen we in Nederland
uitzendcentra, één op
Schiphol en één op
Zestienhoven (Rotterdam). Dat het restrictieve beleid resultaat heeft, blijkt uit de cijfers. In 1994 meldden zich 52.580 vluchtelingen in Nederland (een hoogtepunt), in 2004 is dat gedaald naar 9.780. Nog steeds wordt de aanvraag tot verlijf vaak afgewezen, deze mensen worden via een uitzendcentrum uit Nederland ‘verwijderd’. Dat uitzetten gaat lang niet altijd goed, veel uitgeprocedeerde asielzoekers of mensen van wie de verblijfsvergunning is ingetrokken, verdwijnen in de illegaliteit. Het Rijk biedt hen geen enkele voorziening, waardoor mensen op straat komen te staan. Vaak vangen
gemeenten deze personen op – hierover is op dit moment (2006) een felle discussie gaande tussen gemeenten (die het beleid van de IND onmenselijk vindt) en de IND (die vindt dat de gemeenten de uitvoering van de wet frustreren).
Europa
Inwoners van landen binnen de
Europese Unie zijn vrij om zich te vestigen binnen een ander land van de Europese Unie. Sinds de toetreding tot de EU van een groot aantal Oost-Europese landen zien we in Nederland vooral veel
Polen en
Oekraïners. Deze migranten vestigen zich momenteel (2006) meestal nog niet permanent maar komen hier vooral om tijdelijk werk te verrichten. Polen kiezen inmiddels steeds vaker voor permanent verblijf, per jaar rond de 7.000. De komst van vooral Polen stuit op veel weerstand omdat veel Polen op de arbeidsmarkt onder de prijs zouden werken en daarmee Nederlandse werknemers van de arbeidsmarkt verstoten. Ook de criminaliteit (vooral diefstal maar ook geweldsdelicten) onder ‘bezoekers’ uit het voormalig Oostblok is hoog – hetgeen de acceptatie van deze migrantengroep niet ten goede komt. Een restrictief toelatingsbeleid is niet mogelijk, omdat het hier Europese regels betreft die Nederland niet eenzijdig kan wijzigen.
Emigratie
Sinds 2001 is de emigratie van Nederlanders naar het buitenland fors toegenomen. In 2005 noteerde Nederland voor het eerst sinds de jaren ’60 een
emigratieoverschot, het lijkt er op dat ook in 2006 een vertrekoverschot zal optreden. Als reden om te vertrekken noemen Nederlanders: de drukte, het weer, de beperkte ruimte, de onveiligheid. In het eerste kwartaal van 2006 vertrokken 29.000 mensen uit Nederland. De stijging, die in 2001 is begonnen, houdt vooralsnog aan. Onder de 29.000 mensen die vertrokken waren 13.000 autochtonen.
Integratiebeleid vanaf de jaren ‘90
Allochtonen kampen net als in de jaren ’80 nog steeds met een achterstand, hoewel dit lang niet voor alle allochtonen geldt. Surinamers doen het in de statistieken inmiddels net zo goed of zelfs beter dan autochtone Nederlanders. Zo hebben meer Surinaamse vrouwen een baan dan autochtone Nederlandse vrouwen. Dit hangt wellicht ook samen met het hogere aantal alleenstaande moeders in de Surinaamse gemeenschap, maar het is desalniettemin een prestatie. Wel valt op de Surinamers (nog steeds) vaker betrokken zijn bij criminele activiteiten. Alle allochtone vrouwen – met uitzondering van de Antillianen – lijken het beter te doen dan de mannen. Van de grote groepen immigranten doen de Surinamers het het beste, gevolgd door de Turken. Hekkensluiters zijn de Marokkanen (vooral de mannen) en de Antillianen (mannen en vrouwen). De oudere generatie Antillianen scoort overigens nog steeds zeer hoog qua opleidingsniveau en werk – vooral de jongeren die in de jaren ’90 naar Nederland zijn gekomen scoren slecht. Joden en Indo’s komen in deze statistieken niet voor, ze gelden niet (meer) als allochtoon en worden - waar het gaat om opleiding, werk en inkomen - meegeteld met de autochtonen.
Nederland is vanaf de jaren ’90 met een kritischere blik naar de multiculturele samenleving gaan kijken. Het achterstandsbeleid is feitelijk afgeschaft. Er is meer aandacht voor de eigen verantwoordelijkheid van allochtonen. Nederland hangt sinds 1994 een neo-republikeinse opvatting van burgerschap aan, wat betekent dat van allochtonen minimaal participatie in de Nederlandse samenleving wordt verwacht. Uitvloeisel van dit beleid zijn onder andere de verplichte inburgeringscursussen.
Commissie Blok
In 2003-2004 evalueert de
Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid (ook wel
Commissie-Blok) in opdracht van de
Tweede Kamer, op initiatief van de
SP, het
Nederlandse
integratiebeleid van de voorgaande dertig jaar. De opdracht is op zich vreemd, omdat er pas sinds eind jaren '80 sprake is van een 'echt' integratiebeleid. De conclusie van de Commissie Blok luidt dan het integratiebeleid niet op alle fronten is mislukt, maar wel beter kan. Blok richt zich daarbij vooral op onderwijs en arbeid.
Rita Verdonk
Vanaf
2003 trekt
Rita Verdonk als minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie veel aandacht. Ten aanzien van
asielzoekers voert zij een strikt terugkeerbeleid. De
publieke opinie over haar beleid is verdeeld.
Allochtone gemeenschappen in Nederland (2006)
Cirkeldiagram_Allochtonen.gif
Op 1 april 2006 telde Nederland 16.338.000 inwoners
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (
CBS) telt Nederland zo'n 3 miljoen personen met een niet-Nederlandse achtergrond. Bijna 1 miljoen hiervan is afkomstig uit Europa of Amerika, ruim 2 miljoen is afkomstig uit niet-westerse landen.
ca. 450.000. Indo's vormen de grootste groep, het cijfer is een schatting want hun exacte aantal is niet bekend. Indo's worden al lange tijd niet meer tot de allochtonen gerekend.
ca. 360.000
ca. 350.000. Onder Surinamers vallen
Hindoestanen,
Creolen, Surinaamse Javanen, Surinaamse
Chinezen,
Marrons,
Indianen en vele Surinamers van gemengde afkomst.
ca. 320.000. Het merendeel van de in Nederland wonende Marokkanen zijn
Berber.
ca. 180.000 Op dit moment zijn
Somaliërs de grootste groep, gevolgd door de
Kaapverdianen en
Ghanezen.
ca. 130.000. Dit is de snelst groeiende groep in Nederland
ca. 110.000.
Latino's in Nederland zijn vooral afkomstig uit
Colombia,
Brazilië en de
Dominicaanse Republiek
ca. 80.000. Hiervan is ca. 25.000 direct afkomstig uit
China, de rest is afkomstig uit
Hong Kong,
Suriname of
Indonesië
ca. 42.000
ca. 40.000
ca. 32.000
ca. 30.000. Het aantal in Nederland wonende Joden is niet exact bekend, Joden worden niet meer als zodanig geregistreerd (na WO II rust hier een
taboe op. De cijfers zijn afkomstig van de Joodse gemeenschap zelf.
ca. 30.000
ca. 27.000
Zie ook
Externe links
Immigration policy
Mens en maatschappij | Sociologie | Overheid