Een ijstijd – ook wel vergletsjering of glaciaal genoemd – is een periode waarin het klimaat op aarde aanzienlijk kouder was dan tegenwoordig en waarin grote delen van de continenten, in ieder geval die op het noordelijk halfrond, met landijs en gletsjers waren bedekt. Men neemt aan dat dit in de de gehele geologische geschiedenis van de aarde vier keer het geval is geweest, waarvan eenmaal zelfs zo sterk dat de ijskappen van de polen vrijwel tot aan de evenaar waren opgerukt. Men spreekt in dit verband dan ook van de Sneeuwbal Aarde — een niet-onomstreden theorie. Meestal spreken we echter, als we het over 'de ijstijd' of 'de ijstijden' hebben, over de ijstijden in het Pleistoceen, dat wil zeggen in de laatste 1,6 miljoen jaar.
Uit reconstructies van de gemiddelde temperatuur, verricht volgens verschillende, van elkaar onafhankelijke, wetenschappelijke methoden (onder andere analyse van de gelaagdheid en de samenstelling van de ijskappen van Groenland en Antarctica, en analyse van isotopenverhoudingen van 16O/18O in onverstoorde sedimentlagen op de bodem van de oceaan), blijkt dat er geregeld perioden zijn geweest waarin er een zeer grote hoeveelheid water in ijskappen gebonden was (glaciaties), steeds gevolgd door een fase waarin in (geologisch gezien) zeer korte tijd een aanzienlijke opwarming optrad en waarbij die ijskappen grotendeels wegsmolten (interglacialen). Deze episoden doen zich met een zekere regelmaat voor, met twee periodelengtes van 40.000 en 100.000 jaar (zie Milankovitch cycli).
We leven momenteel ook in zo'n interglaciaal, het Holoceen. Een interglaciaal duurt vaak ongeveer 10.000 tot 15.000 jaar. Omdat ijstijden zelf (in Nederland) de sporen van eerdere ijstijden vrij efficiënt uitwissen, is het meest bekend over de laatste ijstijden. Van een aantal van de zo ontdekte ijstijden zijn in Nederland nauwelijks sporen te vinden: als een tijdlang geen geologische afzetting plaatsvindt of als bestaande sedimentlagen weer weg-eroderen, gaat het geologisch bodemarchief belangrijke hiaten vertonen. In de nieuwste visies, gebaseerd op het bovenvermelde onderzoek, zijn er in de afgelopen 1.500.000 tot 2.000.000 jaar 15-18 cycli geweest van elk ongeveer 100.000 jaar, waarvan ongeveer 80.000 jaar glaciaal en ongeveer 20.000 jaar interglaciaal.
De, in vergelijking met nu, iets koudere periode van de 15e tot halverwege de 19e eeuw wordt wel de kleine ijstijd genoemd. In deze tijd waren de winters wel strenger maar is er geen sprake geweest van glaciatie van betekenis.
Maar ook tijdens een ijstijd was het zeker niet continu zeer koud. Er waren perioden waar het landijs oprukte en perioden waarin het landijs en de gletsjers zich terugtrokken. Een korte periode in een ijstijd waarin het relatief koud was, wordt een stadiaal genoemd. Een korte periode in een ijstijd waarin het relatief warm was, wordt een interstadiaal genoemd.
Als belangrijkste externe factor voor het voorkomen van de pleistocene ijstijden wordt de hoeveelheid instraling van de zon op het noordelijk halfrond gezien. Deze instraling varieert aan de hand van cycli, de zogenaamde Milankovitch-cycli. Er zijn drie dergelijke cycli:
Als de aardas een grote hoek ten opzichte van de omloopbaan maakt en/of de aarde dichtbij de zon is in de noordelijke zomer, dan zullen de seizoenen op het noordelijk halfrond sterker zijn. Als de aardas een kleine hoek ten opzichte van de omloopbaan maakt en/of aarde in de noordelijke winter dichtbij de zon is, zijn de seizoenen zwakker. De excentriciteit van de aardbaan beïnvloedt vooral de mate waarin de precessie van belang is.
IJstijden treden op als de seizoenen op het noordelijk halfrond zwak zijn: in de warme winters is er meer sneeuw, en in de koele zomers zal daarvan minder smelten. Derhalve neemt de sneeuw- en ijskap op het noordelijk halfrond toe. Bovendien versterkt dit effect zichzelf: door het grotere weerkaatsingsvermogen van de ijskap, warmt de regio nog minder sterk op.
Zwakke seizoenen op het zuidelijk halfrond hebben veel minder effect, doordat Antarctica koud genoeg is om ook buiten de ijstijden met ijs bedekt te zijn (en dat al ettelijke miljoenen jaren is, sinds de Straat Drake tussen Antarctica en Zuid-Amerika zich vormde), terwijl de zeeën rond Antarctica weinig mogelijkheden tot ijsvorming geven (de Noordelijke IJszee is minder zout en kent minder stroming, en kan daardoor wel gedeeltelijk bevriezen). Rond de Noordpool liggen grote continenten waardoor het zeeijs niet ver hoeft uit te breiden om opnieuw land te bereiken (in wintertijd). Zeeijs bouwt minder makkelijk op en smelt sneller dan landijs (het heeft een lager vriespunt).
Hoe bovengenoemde factoren precies met elkaar verband houden is niet duidelijk. Met behulp van klimaatmodellen wordt door wetenschappers een reconstructie van het klimaat en de klimaatveranderingen in het verleden gemaakt. Alhoewel er een zekere consensus bestaat onder wetenschappers, zijn er nog vele onzekerheden en tegenstrijdigheden in dit onderzoek.
De warmere periodes tussen deze ijstijden worden de Günz-Mindel-interglaciaaltijd, de Mindel-Riss-interglaciaaltijd, en de Riss-Würm-interglaciaaltijd genoemd.
Het einde van de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden, wordt beschouwd als het begin van het Holoceen (vroeger ook Alluvium genoemd), het tijdperk waarin wij nu nog leven. De laatste twee ijstijden worden ook wel als het saalien en het weichselien aangeduid.
Tijdens het Amersfoort-stadium bereikte het ijs zijn maximale uitbreiding en kwam het tot ruwweg de lijn Haarlem - Amersfoort - Nijmegen.
De terugtrekking van het ijs ging niet vloeiend. Er waren perioden dat de terugtrekking van het ijs soms helemaal tot stilstand kwam. Eén van deze perioden was tijdens het zogenaamde Drenthe-stadium. De grens van het landijs lag toen in het noorden van Nederland op de lijn Emmen - Hoogeveen - Gaasterland - Wieringen - Texel. Op deze plaatsen werden lagere morenes gevormd.
Gletsjers en landijs vervoeren puin. Na afsmelten van het ijs vormt dit de grondmorene, bestaande uit keileem. In deze keileem vinden we zeer grote zwerfstenen. Zo ontstonden onder andere de Hondsrug, en de heuvels Lemelerberg, Haarlerberg, Friezenberg, Markelose berg, Lochemerberg, Hettenheuvel, en de heuvels van Montferland.
Vaak ook stuwde de schuivende ijsmassa de bodem op, zodat stuwwallen ontstonden. Deze vinden we vooral op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en bij Nijmegen. Aan de geplooide lagen is duidelijk te zien dat dit oorspronkelijk horizontaal liggend materiaal is geweest.
Het verschil tussen een morene en een stuwwal is dan ook het materiaal waar ze uit bestaan: morenes bestaan uit keien en keileem en stuwwallen bestaan uit gestuwde, oudere grondlagen. De Torenberg ten noordwesten van Apeldoorn is met 107 meter +NAP de hoogste stuwwal van Nederland.
Een mooi voorbeeld van een morene landschap is de omgeving van Lichtenvoorde: zwak golvend en vol zwerfstenen van Scandinavische oorsprong.
In Nederland heerste een toendraklimaat. De wind had vrij spel en er werd op grote schaal dekzand afgezet, wat soms ruggen vormde. Ook werden gedurende het laatste deel van deze ijstijd de rivierduinen of donken gevormd. Wie zich het landschap in Nederland in een ijstijd wil voorstellen kan niet zonder meer ter vergelijking kijken naar streken die nu dicht bij de pool liggen: ook in een ijstijd kon de zon hier 's zomers hoog aan de hemel staan branden; de dag-nachttemperatuursvariatie zal veel groter zijn geweest.
In de ijstijden werden er ook veel pingo's gevormd. De overblijfselen hiervan heten pingoruïnes. Ze zijn herkenbaar als meertjes of vennetjes. In bijvoorbeeld Drenthe liggen tal van kleine meertjes die soms erg diep zijn. Ze liggen op het plateau van Midden-Drenthe en vormen de gletsjerkommen van Smilde, Dwingeloo, Gieten, Grolloo, Hooghalen, Orvelte, Gees, Appelscha, Mekelermeer en het Esmeer. Ook op de Veluwe komen pingoruïnes voor, bijvoorbeeld het Uddelermeer
Niet door het ijs afgezet, maar wel afgezet gedurende de laatste ijstijd, is löss. Dit is door de wind aangevoerd fijnkorrelig materiaal en wordt in Zuid-Limburg en Midden-België aangetroffen.
In grote delen van Nederland is door de wind ook het dekzand afgezet. Dit is een enkele meters dik zandpakket dat als het ware een soort afdekking vormt. Het komt voornamelijk voor in het midden, zuiden en oosten van Nederland. Ook de donken, die in het rivierengebied voorkomen, stammen uit deze periode.
Enkele feiten:
Ook andere ondiepe zeeën stonden droog tijdens de ijstijden. Zo stond de Beringstraat tussen Siberië en Alaska droog, en waren ook Tasmanië en Australië met elkaar verbonden.
Ten tijde van het Pleistoceen heeft de mens van Heidelberg de Aarde bewoond.
De Neanderthalers leefden tot zo'n 40.000 jaar geleden in Noordwest Europa.
De mens van Sternheim zwierf over de aarde tijdens de Saale-ijstijd. We weten iets over hem door de gevonden overblijfselen van de voorwerpen die ze maakten en de overblijfselen van hun eigen beenderen.
De eerste sporen van de moderne mens in Nederland zijn gedateeerd op het eind van de laatste ijstijd. Nederland werd toen bevolkt door de rondzwervende, jagende mensen van de Hamburgcultuur.
In Siberië werden in 2003 ruim boven de poolcirkel door Russische archeologen resten gevonden van menselijke jagers (bewerkte stenen, botten van gejaagde dieren en gesneden mammoetivoor) die betrouwbaar op 30.000 jaar oud lijken te kunnen worden gedateerd en die stammen uit een periode in de laatste ijstijd waarin het tijdelijk wat warmer was; mogelijk hebben deze mensen Amerika al gekoloniseerd.
Glaciál | Oes yr Iâ | Istid | Eiszeit | Ice age | Glaciepoko | Jääaeg | עידן הקרח | Zaman es | 氷河期 | Ledynmetis | Zaman air batu | Epoka lodowcowa | Idade do gelo | Glaciál | Ледено доба | Istid