De Germanen zijn een Indo-Europese bevolkingsgroep die woont in Noordwest-Europa en Scandinavië, oorspronkelijk bestaande uit een groot aantal stammen. Tegenwoordig leven de bewoners met een Germaanse taal nog steeds in ditzelfde gebied, maar hebben ze zich ook in grote aantallen gevestigd op de Britse Eilanden, IJsland en in voormalige overzeese kolonies, zoals in Noord-Amerika, Australië en Zuid-Afrika.
Definitie
Tegenwoordig wordt de term
Germanen vaak verward met de term
Duitsers. Dit heeft vooral zijn oorzaak in het
Engelse woord voor
Duitsland,
Germany. Hierdoor heeft men het in het tegenwoordige spraakgebruik niet snel over Germanen, maar over sprekers van een
Germaanse taal. Dit laatste is nog steeds een belangrijke overeenkomst tussen de verschillende volken van Germaanse afkomst. De hoofdindeling van de Germaanse taal in
Noord-Germaans,
West-Germaans en
Oost-Germaans, komt overeen met de historisch-geografische indeling van de Germanen.
Oorsprong
Op
linguïstische en culturele gronden gaat men er tegenwoordig van uit dat de Germanen nauw verwant zijn aan de
Kelten,
Slaven,
Latijnen,
Grieken en andere Indo-Europese volkeren. De profilering als afzonderlijke groep heeft zich vermoedelijk aan het eind van het tweede millennium voor Christus of iets later voltrokken ergens in de oost-europese vlakten. Over de vroegste geschiedenis van de Germaanse volkeren weet men weinig meer dan dat ze omstreeks de
6e eeuw v. Chr. in
Scandinavië en rond de
Oostzee leefden. Hier verdreven ze wellicht de eerder gearriveerde
Saami, Kelten en
Baltische stammen, maar waarschijnlijker is dat ze zich er gedeeltelijk mee vermengden. Dat de Germanen toen nog niet erg talrijk waren blijkt uit het gegeven dat een aanzienlijk aantal woorden in de Germaanse 'oertaal' overgenomen is van de vroegere niet-indoreuropese bevolking van rond de Oostzee (zie verder het artikel over de
Germaanse substraathypothese). Hun overwicht bestond eerder uit betere wapens zoals de
strijdwagen dan uit grotere aantallen krijgers. Na verloop van eeuwen ontstond er in deze streken toch een zekere overbevolking en velen van hen migreerden steeds verder naar het zuiden (het huidige
Duitsland), om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden. Er ontstonden op die manier vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijden en plaatsen met andere namen werden aangeduid zoals de
Friezen,
Toxandriërs en
Kaninefaten. Hierdoor wordt het moeilijk hun juiste bewegingen in het bijzonder te volgen. Toch weten we dat omstreeks het begin van de
jaartelling in het westen de belangrijkste volken de
Saksen en de
Franken waren, in het noorden de
Juten en
Angelen en in het oosten vooral de
Goten,
Bourgondiërs en
Vandalen.
Levenswijze
Het leven van al deze volken verschilde onderling niet zo veel omstreeks de tijd dat de
Romeinen hun macht over Europa uitbreidden. In hoofdzaak waren het plattelandsbewoners die een echte afkeer voor
steden schijnen te hebben gehad. Vele van hun nederzettingen waren dan ook niet groter dan kleine dorpen. De westelijke volksstammen bestonden voornamelijk uit
landbouwers, de oostelijke voornamelijk uit
schaapherders en veehoeders. De Germanen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. In tijden van crisis werd er door de aanzienlijke mannelijke stamleden een leider gekozen maar deze moest steeds de belangen van de 'kiezers' in het oog houden. Dit systeem werkte zelfs door tot in de
Middeleeuwen waar het germaanse gebied nog lang versplinterd bleef in vele kleine staatjes.
Romeinen en Germanen
Toen de Romeinen
Gallië binnenvielen waar ze de
Keltische bewoners versloegen, kwamen ze in het noorden ook (opnieuw) in aanraking met de
Germanen. De Romeinen hadden namelijk al eens kennis gemaakt met een germaans/keltische invasie van
Cimbren en
Teutonen in de
2e eeuw v. Chr.. De Romeinse veldheer
Gaius Marius wist hen toen te verslaan (
102 v. Chr.). Aanvankelijk beschouwden de Romeinse geschiedschrijvers hen gewoon als '
barbaren'.
Tacitus echter, die in de eerste eeuw leefde, vond de romeinen van zijn tijd maar een decadent en slap zootje en stelde de ruwe maar dappere germanen als voorbeeld van echte mannen voor zijn landgenoten.
Gezien de krachtenverhoudingen tussen Romeinen en Germanen is het lange tijd de vraag geweest hoe de oorlog tussen deze twee volkeren in het voordeel van de Germanen beslecht kon worden. Aan de ene kant vocht immers een hoogst professioneel, goed getraind leger met een grote militaire traditie, aan de andere kant slecht bewapende groepen Germanen, zonder al te veel oefening, discipline en professionaliteit. het antwoord hierop is waarschijnlijk gelegen in de geologische en klimatologische omstandigheden. Met name de aanwezigheid van venen is hierbij waarschijnlijk van doorslaggeven belang geweest. Hier hadden de Germanen, die terreinkennis hadden en licht bewapend waren, een groot voordeel op de Romeinen, die gewend waren aan het inzetten van zware infanterie en artillerie en dammen en dijken moesten aanleggen om ûberhaupt te kunnen oprukken.
Overigens impliceert dit geen absolute tegenstelling tussen Germanen en Romeinen, want vele stammen leverden hulptroepen en de Bataven stonden zelfs als elite-troepen bekend. Na de nederlaag van Varus brokkelt de romeinse invloed in Germania Transhenanum echter snel af.
Omdat de Romeinen er niet in geslaagd waren om al deze volkeren te overwinnen (zie de nederlaag van de Romeinse generaal Varus in het Teutoburger Woud) trachtten ze hen gedurende lange tijd ten oosten van de Rijn en de Donau tegen te houden. Maar van het einde van de 4e eeuw af begonnen Germaanse stammen in steeds toenemende aantallen het Romeinse Rijk binnen te dringen.
Germanen de nieuwe heersers van West-Europa
Dit ging vrij gemakkelijk omdat inmiddels het Romeinse Rijk gesplitst was in een
West-Romeins en
Oost-Romeins deel. Terwijl het Oostelijke deel zich nog goed kon verdedigen doordat de
economische basis daar nog steeds toe in staat was verzwakte de West-Romeinse defensie aanzienlijk. Door een toenemende druk op de grenzen had de West-Romeinse regering meer soldaten nodig en zodoende meer belastingen om hun
soldij te betalen. Maar hier rees een groot probleem: er blijkt een bevolkingsvermindering te zijn voorgekomen door waarschijnlijk een of andere
epidemie. Rome had dus een tekort aan belastingbetalers.
Tevens veranderden de keizers de militaire verdediging drastisch. Ze verplaatsen vele troepen aan de grenzen naar de grotere steden om de soldaten over het hele rijk te verspreiden uit veiligheidsoverwegingen. Meestal om de eigen bevolking onder de duim te houden omdat door de steeds hogere belastingdruk en toenemende onvrijheid voor de burgers vele opstanden dreigden. Door de vele onderlinge oorlogen van de verschillende troonpretendenten werd er vaak binnen het romeinse rijk meer strijd geleverd dan aan de grenzen. De uitgedunde grensbewaking kon echter de steeds talrijkere invallen van al dan niet plunderende germanen moeilijk tegenhouden. Om de grenzen toch te verstevigen, bedachten de Romeinse machthebbers een andere politiek, het
foederatie beleid. Germanen die in een vroegere periode toegelaten waren om zich op Romeinse bodem te vestigen (en zodoende het land te ontginnen en de nodige belastingen te betalen aan de keizer) ging men inlijven in het Romeinse (grens)leger. Andere volkeren over de Rijn werden ook aangespoord dit voorbeeld te volgen. In ruil mochten ze hun leider behouden, hun cultuur en hun naam. Maar ze mochten dan enkel nog dienen onder de keizer.
Van lieverlede gebruikten de germaanse stammen op Romeinse bodem wel de zo geboden mogelijkheid om hoger op te komen. Tegen het einde van het West-Romeinse rijk telde de Romeinse legerleiding meer Germanen dan Romeinen en beslisten zij meestal wie de keizer werd.
Andere groepen zoals die van de
Visigothen (West-Goten) die met tienduizenden uit
Transsylvanië kwamen, hadden minder goede bedoelingen. Ze vroegen bescherming op Romeins grondgebied omdat ze zelf door de uit
Azië aanstormende
Hunnen verdreven werden. Hun verzoek werd ingewilligd. Ze werden echter slecht behandeld door de Romeinse autoriteiten en herhaaldelijke verzoeken aan de keizer om verbetering in hun omstandigheden te brengen haalden niets uit. Tenslotte sloegen de Visigothen aan het plunderen en veel Romeinse legioenen werden zo gebonden omdat ze hen tegen moesten houden.
Toen Germaanse stammen die buiten het rijk woonden tegelijkertijd rechtstreekse aanvallen gingen ondernemen, was de tegenstand van het toen reeds sterk verzwakte leger niet meer afdoende. Het hek was van de dam en massaal stroomden de Germanen over de grenzen. Veel Germaanse stammen zagen kans om onafhankelijke koninkrijkjes op Romeins gebied te vestigen.
In
430 moesten de Romeinen zelfs de hulp van de Hunnen inroepen om het Bourgondische koninkrijk bij
Worms te verslaan. In
436 werd dat rijk vernietigd. Maar de Hunnen waren niet van plan om weer te vertrekken en sloegen op hun beurt aan het plunderen in de, nog steeds relatief rijke, Romeinse gebieden.
In 439 veroverden de Vandalen, vooruit geduwd door de Visigothen, vanuit Spanje de stad Carthago in het huidige Tunesië), hét centrum van de Romeinse tarweschuur dat grotendeels Italië van voedsel voorzag, en bouwden ze vlug een machtige vloot op die deze stad als basis had. Van Carthago uit stroopten de Vandalen een tijdlang de Middellandse zee af als piraten totdat de Byzantijnse generaal Belisarius hen versloeg in de 6e eeuw.
Na de definitieve val van het West-Romeinse imperium werden de eens zo misprezen Germaanse volkeren de nieuwe meesters van West-Europa. De Visigothen heersten over een groot deel van Spanje, de Franken werden de meesters van Frankrijk, bijna heel het huidige deel van België, Nederland en het Rijnland, de Ostrogoten (Oost-Goten) vestigden op hun beurt hun macht in Italië en in een uitgestrekt gebied ten noorden en ten oosten daarvan. Hun koninkrijken werden de kernen van de huidige Europese staten.
Germaanse stammen
Zoals in de inleiding aangegeven was het niet eenvoudig om de verschillende stammen goed te onderscheiden. Veel stammen waren op verschillende tijden onder diverse namen bekend. Ook kwam het geregeld voor dat een stam zich afscheidde van een hoofdstam en tevens een nieuwe naam ging voeren. En ook gingen stammen soms weer op in een groter verband: bijvoorbeeld de Franken bestonden oorspronkelijk uit een groot aantal verschillende stammen die geleidelijk samensmolten.
Huidige Germaanse volken
Onderstaande volken worden in het algemeen als een Germaans volk beschouwd:
- Afrikaners; mengsel van overwegend Nederlanders, Duitsers en Britten.
- Denen
- Duitsers; mengsel van overwegend Saksen en Allemanen, met ook Franken, Zwaben, Bavari, andere Germaanse stammen, Kelten, Romeinen en in het oosten Slaven.
- Engelsen; mengsel van Kelten, Angelen, Juten, Saksen, Friezen en Vikingen (Noord Germaanse stammen)
- Friezen
- Nederlanders; mengsel van overwegend Franken met in mindere mate ook Friezen en Saksen
- Noren
- Oostenrijkers; bestaande uit vele Germaanse stammen
- Vlamingen; mengsel van Franken en in de richting van Wallonië Kelten
- Zweden
- IJslanders; van oorsprong Vikingen
Daarnaast ook de Duitstalige inwoners van Zwitserland, inwoners van Luxemburg en inwoners van Liechtenstein.
De
nationaal-socialisten noemde de Germaanse volkeren ook wel
Ariërs. Zij zouden een uitverkoren volk zijn dat in hun
bloed de
Germaanse ziel mee zou dragen aan wie door natuurgoden de wereldheerschappij zou zijn toebedeeld.
Zie ook
Volk in Europa | Germaanse oudheid | Germaans volk
Германи | Germáni | Germanen | Germanic tribes | Ĝermanoj | Germaanlased | Germaanit | Peuples germaniques | שבטים גרמאנים | Germani | Germani | ゲルマン人 | 게르만족 | Germanai | Germanie | Germanos | Германцы | Germani | Germaner