De Friezen zijn een Germaans volk dat tot de Ingvaeones gerekend wordt. De Ingvaeones zijn de Germaanse volken die langs de Noordzeekust voorkomen. Tacitus verdeelt ze (op grond van hun krachtverhoudingen) onder in maioribus minoribusque frisii (grote en kleine Friezen) maar waarop deze onderverdeling gebaseerd is, is onduidelijk. Tevens is het niet met zekerheid te zeggen hoe de relatie tussen Frisii en Frisiavones is, die (onder andere) Plinius de Oudere in één adem noemt.
Tijdens de Grote Volksverhuizing zijn veel Friezen naar Kent, East Anglia en Lincolnshire getrokken. In de "Historia ecclesiastica gentis Anglorum" van Sint Bede worden de Friezen genoemd als een van de belangrijkste Germaanse stammen die zich in Engeland vestigen. Plaatsnamen als Dumfries, Friston en Freeston herinneren aan de invloed van de Friezen in Engeland.
Tegenwoordig gaat men er ook uit van de mogelijkheid dat een groep Friezen samensmolt met een groep van de Chauken, samen met kleinere stammen zoals Bructeren, Tubanten, Chamaven en Salische Franken. Hieruit ontstond de stam der Franken.
De Friezen golden als een volk van zeevaarders: de Noordzee werd indertijd "Mare Frisicum" genoemd. Op het continent was er een groot Fries rijk; het huidige Utrecht (ingenomen in de 3e eeuw van de Romeinen) en Dorestad waren belangrijke Friese handelssteden. De Friezen werden lang na de Franken gekerstend.
Men maakte heuvels van aarde en mest als toevluchtsoord voor momenten van hoogwater waarop de huizen (boerderijen) werden gebouwd. Deze werden terpen of wierden genoemd. Dit vindt men tegenwoordig terug in de vele plaatsnamen die op wert, wier, werd, ward of warden eindigen, zoals Leeuwarden.
Deze terpen werden in de loop der eeuwen steeds hoger gemaakt en soms onderling verbonden, waardoor dijken ontstonden.
In het noord-Duitse Halligen-gebied worden ze Warften genoemd.
Friserne | Friesen | Frisians | Friisid | Friisit | Frisons | Friezen | Frisoni | Frīzi | Frisere | Fryzowie | Frísios | Фризы | Frisere