article Related Topics:
Edda
 

De Edda is in de Noordse mythologie een werk dat de handelingen en lotgevallen van de Noordse goden verhaalt en de visie op het heelal beschrijft (de Noordse kosmologie).

Het komt in zijn geschreven vorm uit IJsland uit de periode tussen de 9de en 12de eeuw. Het is pas in de dertiende eeuw opgeschreven, onder invloed van het christendom.

De Edda (Oeropoe) vertelt over het ontstaan van de wereld (zie Germaans scheppingsverhaal), over de godenfamilies en de verstandhouding tussen de godenfamilies en de goden onderling. Ook vindt men er heldenliederen zoals de Volsungensage en Wagner heeft zijn Nibelungenlied gebaseerd op deze oude verhalen. Tolkien heeft zijn boek In de Ban van de Ring deels gebaseerd op de poëtische Edda en de proza-Edda, maar ook op de Finse Kalevala.

Naast de poëtische Edda bestaat de jongere proza-Edda, geschreven door Snorri Sturluson in de vroege dertiende eeuw. Ardre_Odin_Sleipnir.jpg

Stijl


De gedichten in de poëtische Edda zijn geschreven in alliteratieve rijm. Sommige delen zijn in proza geschreven, de boventoon blijft echter dichterlijk.

Auteurs


Zoals het grootste gedeelte van de werken uit die tijd waren de gedichten minstrelenwerk (skalden), overgeleverd van zanger tot zanger en pas later opgeschreven. Daarom is niet bekend wie de gedichten precies heeft gemaakt en wanneer - echter van de proza-Edda weten wij dat Snorri Sturluson ze opschreef. Belangrijke vertalers van de oude Edda naar het Nederlands zijn: Marcel Otten, Paula Vermeyden, Jan de Vries (taalkundige).

Tijd, plaats en bron van notering


Over het algemeen wordt aangenomen dat de poëtische Edda uit de twaalfde à dertiende eeuw komt (dwz: toen is zij opgeschreven. De liederen zelf zijn in feite ouder), en de geschreven liederen stammen uit IJsland. Het scheppingsverhaal is ook kenmerkend voor het noorden in een land als IJsland, waar vuur en ijs een rol spelen in het dagelijks leven. De proza-Edda is in vier belangrijke en ín een aantal minder belangrijke handschriften overgeleverd:
  1. Codex Upssaliensis: oudste, ontstaan rond 1300.
  2. Codex Regius: (Kopenhagen, KB 2367 410; sinds 1971 te Reykjavik), eerste kwart 14de eeuw
  3. Codex Wormianus: (Kopenhagen AM 242 101) laatste kwart 14de eeuw
  4. Codex Trajectinus: papierhandschrift ontstaan rond 1600 en vanaf 1643 in Utrecht bewaard (UB Utrecht, ms. 1374), een zorgvuldig afschrift van een dertiende-eeuws handschrift, mogelijk hetzelfde waarvan ook de Codex Regius werd afgeschreven.

Niet al deze handschriften zijn volledig bewaard: de Codex Regius mist het eerste blad, en de Codex Trajectinus het eerste blad en een aantal bladen aan het einde. Onderling vertonen de handschriften verschillen, soms aanzienlijke, op gebied van woordkeuze, zinsbouw en organisatie van het materiaal. De verschillen tussen de Codex Regius en de Codex Trajectinus zijn zeer gering. De tekst van de Codex Wormianus is op sommige plaatsen korter, op andere langer dan de tekst van de Codex Regius. De tekst van de Codex Uppsaliensis is de kortste, maar hierin zijn allerlei teksten van andere herkomst ingelast: een grammaticale verhandeling, een opsomming van skalden en een van rechtsgeleerden, en de genealogie van de Sturlungen-familie.

Welke tekstversie het dichtst bij de oorspronkelijke Edda staat, de korte of een van de langere, is niet bekend en nog steeds onderwerp van speculatie.

Gedichten in de poëtische Edda


De oudere Edda bevat 16 godenliederen en 24 heldenliederen.

Godenliederen

Het is belangrijk op voorhand te weten dat in de Noordse kosmologie de 'goden' in feite werden beschouwd als heersende machten, krachten of principes (Oudnoords: Ragná is in feite heersende macht). Deze entiteiten konden zowel Asen of Asinnen zijn, als reuzen of zelfs monsters.
De meeste 'goden'liederen werden opgesteld als ‘weetgedicht’ of uit kenningen. Dat wil zeggen dat mogelijk bewust heel wat kennis in geconcentreerde vorm erin werd neergelegd, die dan door skalden kon worden van buiten geleerd om in die vorm verder verspreid te geraken. De meeste weetgedichten zijn bovendien in dialoogvorm. In een afwisseling van vraag en antwoord, of vaak in een weetwedstrijd tussen twee protagonisten, wordt de beoogde kennis systematisch opgeslagen en weergegeven.
Het tweede gedeelte van de godenliederen zijn spreukgedichten. Hier liggen geen mythologische zaken maar levenswijsheden en gedragsregels aan ten grondslag.
In de volgorde van de individuele liederen zit een systeem. Het eerste lied, de Völuspá, behandelt de algehele evolutie van de kosmos van bij het ontstaan tot het vergaan, terwijl de daarop volgende liederen steeds specifiekere onderwerpen aansnijden. (Deze opstellingswijze vinden we ook in de Indische Rig Veda, waar de eerste van de 10 mandala's in kiemvorm het geheel weergeeft, terwijl elk deel daarvan in een opvolgende mandala wordt weergegeven.)

Godenliederen in de Codex Regius:

  1. Völuspá - Het visioen van de zieneres (de Wolwa of Volva)
  2. Hávamál - Het lied van de Hoge
  3. Vafþrúðnismál - Het lied van de Sterke Mangelaar (Wafthrudnir)
  4. Grímnismál - Het lied van de Gemaskerde (Grimnir)
  5. För Skírnis of Skirnismál - De reis van Blinker (Skirnir)
  6. Hárbarðsljóð - Het lied van Grauwbaard (Hárbarð)
  7. Hymiskviða - De ballade van Hommer (Hymir)
  8. Lokasenna - Loki's scheldpartij (niet in de oudere)
  9. Þrýmskviða - De ballade van Heibel (Thrym)
  10. Baldrs draumar of Vegtamskviða - Balders droom
  11. Rígsþula - Konings register of Het lied van Rig
  12. Alvíssmál - Het lied van Alwijs (Alvis)
  13. Grottasöngr- Gruizelzang (Grotti)
  14. SvipdagsmálHet lied van Swipdag (Svipdag)
  15. HyndloljóðHet lied van Hyndla

de andere Godenliederen:

Heldenliederen

De heldenliederen uit de Edda verzameling gaan over een aantal Germaanse helden die, met uitzondering van de hoofdheld Helgi op het Europese vasteland leefden in de tijd van de volksverhuizingen. Ze zijn meestal historisch aanwijsbaar. Zo is bijvoorbeeld Atli de Hunnenkoning Attila of is Gunnar Gundahar de koning der Boergondiërs. Daardoor is er kruisgewijs overeenstemming vast te stellen met continentale helden, zoals met het Nibelungenlied.
Alhoewel de Codex Regius ca. 70 jaar later is neergeschreven dan het oudst bekende handschrift van het Nibelungenlied, wordt de versie uit de Edda algemeen als de oorspronkelijke versie van de sage beschouwd. (In de Duitse versie zijn bijvoorbeeld de verwijzingen naar de Noordse mythologie, welke de Edda weergeeft, geschrapt en de karakters worden hoofser uitgedrukt dan de meer archaïsche karakters van de Edda).

In de Edda zijn de namen van de helden de oude IJslandse namen: Sîgfrid heet er Sigurðr, Hagen Högni, Gunter Gunnar, Krimhild Guðrun…
Het heldenepos van de Edda is geen doorlopend verhaal, maar een verzameling lofliederen over dezelfde gebeurtenissen. Daardoor ontstaat een zekere inhoudelijke redundantie, en de chronologie wordt niet echt belangrijk geacht. Toch zijn de liederen op meerdere plaatsen met elkaar verweven en beantwoorden zij daardoor alsnog aan een chronologische en biografische logica. Redactioneel wordt dit bereikt via de verwantschapsweergave. Högni is de broer van Gunnar, Brunhild wordt in veel liederen de zus van Atli (Etzel) genoemd. (In de Duitse versie zijn Hagen en Gunter niet verwant).

Völundarkviða - De ballade van Völund
Helgakviða Hundingsbana in fyrri - De eerste ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Helgakviða Hjörvarðssonar - De ballade van Helgi Hjörvardszoon
Helgakviða Hundingsbana in önnor - De tweede ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Frá dauða Sinfjötla of Sinfiötlalok- Over de dood van Sinfjötli
Grípisspá - De voorspelling van Gripir
Reginsmál - Het lied van Regin
Fáfnismál - Het lied van Fafnir
Sigrdrífumál - Het lied van Sigrdrifa
Völsunga saga - De saga van de Völsungen''
Brot af Sigurðarkviðu - Fragment van de ballade van Sigurd
Guðrúnarkviða in fyrsta - De eerste ballade van Gudrun
Sigurðarkviða in skamma - De korte Sigurdballade
Helreið Brynhildar - Brynhilds Hellevaart
Dráp Niflunga - De moord op de Nevelingen
Guðrúnarkviða önnor - De tweede ballade van Gudrun
Guðrúnarkviða in þriðja - De derde ballade van Gudrun
Oddrúnargrátr - Het klaaglied van Oddrun
Atlskviða in Grœnlenzka - De Groenlandse ballade van Atli
Atlamál in Grœnlenzku' - Het Groenlandse Atlilied
Guðrúnarhvhöt - Hoe Gudrun haar zonen ophitste
Hamðismál - Het lied van Hamdir
Hlöðskviða - Het lied van Hlöd

Motieven of hoofdthema's


De hoofdmotieven voor alle heldenliederen zijn de steeds weerkerende dapperheid, de dood, en moord en wraak. Heel vaak worden de helden door visioenen bezocht, hetzij in de vorm van dromen, of door bemiddeling van zieneressen en dergelijke.
Het heldenlied gedeelte bericht over niet minder dan 36 sneuvelende protagonisten. Deze gang van zaken weerspiegelt de fatalistische kijk op de wereld, die in de wereld van de goden zelf reeds is aan bod gekomen via de dood van Baldr en de daarop volgende Ragnarok, de algehele vernietiging van wat in de kosmos tot ontstaan kwam, inclusief de goden zelf. Maar het is tegelijk de optimistische weerspiegeling van de eeuwige cyclus van ontstaan en vergaan, de strijd tussen kosmos (orde) en chaos, waaruit telkens een nieuwe wereld voortkomt. Daarin heeft de mens zijn kleine part en dat wordt voor hem geprojecteerd in deze helden. Een ander dieper liggend motief lijkt de houding van de goden en mensen tegenover de rijkdom van het gegeven van de schepping, gesymboliseerd in het goud en de goudschat. Niemand mag die voor zich willen houden, want dan ontstaat ‘Goudroes’ bij de goden en bij de helden verandert Fafnir daardoor in een draconisch wezen, een draak. En op beide schalen is chaos in de omgeving het gevolg. De mythische schat is op zijn plaats in de oerrivier van de scheppingsdaad (vgl. het Rheingold), maar kan niet op zich door iemand worden bezeten, zoniet raakt die er zelf door bezeten.

Indeling van de proza-Edda


Edda.jpg

Deze Edda is een recuperatie door de Oud-IJslandse geleerde Snorri Sturluson. Hij collectioneerde overal waar dat nog mogelijk was de oraal overgeleverde rijmverhalen. Zijn eerste bekommernis was in feite de Noordse en Germaanse dichtkunst van de ondergang te vrijwaren, nadat deze door de kerstening in de verdrukking raakte. Het werd een duidelijke en rijk met voorbeelden geïllustreerde uitleg van de Oudnoordse poëtica. De manuscripten bevatten ook vele opgetekende verhalen en belangrijke gegevens voor godsdienstwetenschap en geschiedenis.

In alle handschriften bestaat de Edda uit drie hoofddelen en een proloog:

- Proloog - Hier wordt gesproken over het ontstaan van het geloof in goden. In de stijl bespeurt men enige 'vreze gods' en een zekere welwillendheid ten aanzien van de nieuwe God van de christenen.
- Gylfaginning - De begoocheling van Gylfi: bericht over de wereld van de noordse goden. in het bijzonder over hun ontstaan en hun ondergang
- Skáldskaparmál - Over de dichtkunst: bespreekt de taal van de dichtkunst, in het bijzonder de dichterlijke vergelijkingen
- Háttatal - opsomming van dichtmaten: behandelt strofenvormen en het correct gebruik van (begin- en binnen)rijmen in de poëzie

De namen van de drie hoofddelen werden slechts in een van de perkamenthandschriften overgeleverd, en wel in de Codex Uppsaliensís. In de twee andere handschriften lopen de teksten van de verschillende delen zonder nadere aanduiding in elkaar over.
De Codex Trajectinus geeft alleen de naam van Háttatal.

In twee hoofddelen wordt rijk geciteerd uit oudere poëzie: Gylfaginning bevat citaten uit gedichten die ook in de andere Edda voorkomen, met name uit de drie belangrijke godengedichten Völuspá, Vafthrúdnísmál en Grímnísmál. In Skáldskaparmál vormen honderden skaldenstrofen van met naam genoemde skalden vanaf ongeveer 900 na Christus het materiaal waardoor het betoog ondersteund wordt.
Háttatal bevat een gedicht van Snorrí zelf, een groot lofdicht op koning Hákon de Oude en jarl Skúlí Bárdarson, dat omstreeks 1220 moet zijn gedicht. De 102 strofen van dit gedicht tonen 102 verschillende dichtmaten of varianten daarvan en het proza eromheen geeft een nadere toelichting op de kenmerken van strofenvorm en rijmschema van iedere variant.

Bronnen


Edda, vertaling Marcel Otten, Ambo/olympus Amsterdam, vijfde druk 2000, ISBN 90 263 1625 9 (voor de Nederlandse titelvertalingen)
Snorri Sturluson – Over de noordse goden – Verhalen uit Edda en Heimskringla – Nederlandse vertaling 1983 door P. Vermeyden. ISBN 90 290 1901 8 (uitg. Meulenhoff)
Edda - Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid vertaling dr. Jan de Vries (1953), zesde druk, herzien door Aleid Boon-de Vries en prof. dr. J. A. Huisman - 1978 ISBN 90 2024878 2 (uitg. Ankh-Hermes)

Edda op andere Wikipedia's
Duits: http://de.wikipedia.org/wiki/Edda
Frans: ''http://fr.wikipedia.org/wiki/Edda_po%C3%A9tique

Externe links


Middeleeuwse literatuur | Germaanse mythologie | Noordse mythologie

Edda digtene | Edda | Έντα | Edda | Edda | Edda | Eddas | Eddas | אדה | Edda | Edda | Эдда | Eddan | Edda

 

This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the "Edda".

Home Pageartsbusinesscomputersgameshealthhospitalshomekids & teensnewsphysiciansrecreationreferenceregionalscienceshoppingsocietysportsworld