article


De das (Meles meles) is een zwaargebouwd roofdier, behorend tot de familie der marterachtigen (Mustelidae). Het is de enige soort uit het geslacht Meles. Dassen leven in burchten die vele generaties mee gaan. Ze zijn vooral 's nachts actief en hebben een omnivoor dieet.

Beschrijving


De das heeft een herkenbare vachttekening. De bovenzijde is grijs van kleur, de onderzijde en poten zijn zwart. De kop, haren op de oren en de staartpunt zijn wit. Er lopen twee brede evenwijdige strepen over beide zijden van de kop, van de snuit via de ogen naar de oren en het achterhoofd. Albinistische, melanistische (geheel zwarte) en erythristische (rossige) dieren komen in sommige gebieden algemeen voor.

De das is aangepast aan het leven in de gangen van de burcht. Hij heeft een wigvormig lichaam, met een vrij kleine kop en een lange snuit. Ook heeft hij korte, stevige poten en een korte staart.

Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben een kop-romplengte van 68,6 tot 80,3 centimeter en een staartlengte van 12,7 tot 17,8 centimeter. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 67,3 tot 78,7 centimeter en een staartlengte van 11,4 tot 19 centimeter. Dassen hebben een schouderhoogte van ongeveer 30 centimeter. Het lichaamsgewicht verschilt per regio, geslacht en jaargetijde. In de wintermaanden zijn ze meestal zwaarder dan in de lente (dat komt door de winterslaap) en in noordelijke gebieden zijn de dieren zwaarder dan in zuidelijke gebieden. Meestal wegen ze tussen de 8 en de 12,5 kilogram.

Voedsel


Dassen eten voornamelijk regenwormen en insectenlarven en plantaardig voedsel als vruchten, hazelnoten, knollen, bosbessen, frambozen, granen, klaver en gras. Tot hun dieet behoren naast wormen en plantaardig voedsel ook insecten (zoals kevers en hun larven, rupsen en de larven van langpootmuggen), slakken, amfibieën (kikkers) en kleine zoogdieren (konijnen, muizen, woelmuizen, mollen), op de grond broedende vogels en hun eieren, aas en zelfs egels, wespen en bijennesten. De dieren zijn meer carnivoor in de lente en meer herbivoor in de herfst.

Omdat boeren mest in de grond moeten infiltreren, zijn de regenwormen in landbouwgebieden in aantal toegenomen. De das ploegt het gras om om bij zijn favoriete maaltje te komen.

De burcht


Burchten gaan soms generaties lang mee en worden continue uitgebreid. Sommige burchten zijn zelfs al enkele honderden jaren in gebruik. Ze worden over het algemeen gegraven in struiken, heggen en houtwallen. De burcht heeft drie tot tien ingangen, die tien tot twintig meter van elkaar verwijderd liggen. Bij uitzondering kunnen de ingangen zelfs honderd meter van elkaar af liggen. Voor de ingangen liggen hopen aarde en oud nestmateriaal.

De gangen zijn gemiddeld zo'n tien tot twintig meter lang en hebben een diameter van minstens twintig centimeter. Ze leiden naar verscheidene kamers. Kamers worden bekleed met plantaardig materiaal, als varens, bladeren en droog gras. Het nestmateriaal wordt tussen de kin en de voorpoten geklemd achterwaarts de gangen ingebracht. Buiten de burcht liggen vaste latrines: ondiepe, onbedekte putten waar de uitwerpselen worden achtergelaten. Deze latrines liggen soms vlakbij de ingangen, maar de meeste liggen aan de territoriumgrenzen, en markeren zo het territorium.

Overdag blijven de dieren in hun burcht. In de zomermaanden zijn ze meestal actief voor zonsondergang, maar meestal blijven ze tot na zonsondergang in hun hol. In de wintermaanden, van november tot februari, komen ze minder vaak naar buiten. Dasen houden geen winterslaap. In de herfst kunnen dassen tot wel tien uur van hun burcht wegblijven.

Een territorium is meestal zo'n dertig tot vijftig hectare groot. Voedselgronden overlappen vaak met die van nabijgelegen groepen. Binnen een hectare leven vijf tot acht volwassen dieren (varieert van twee tot vijfentwintig) met hun jongen, die één burcht delen. Een groep bestaat meestal uit meer vrouwtjes dan mannetjes. De dieren zijn niet monogaam en het komt vaak voor dat meer dan één dier binnen de groep jongen krijgt. Meestal delen twee tot drie dieren één nestkamer. De dieren gebruiken zelden langer dan een paar dagen dezelfde kamer als slaapplaats. De dieren verzorgen elkanders vacht. Zij produceren een grote verscheidenheid aan geluiden.

Voortplanting


De paartijd duurt van februari tot mei, maar ook buiten de paartijd vinden paringen plaats, voornamelijk van juli tot september. In de paartijd kunnen ook mannetjes uit naburige groepen paren met vruchtbare vrouwtjes. De paring duurt een kwartier tot een uur. De draagtijd wordt verlengd met drie tot tien maanden. De eigenlijke draagtijd duurt slechts zeven weken.

In januari en februari worden de meeste jongen geboren. Per worp krijgt een dassenvrouwtje één tot vijf jongen. De jongen zijn blind en roze, met een dunne grijze vacht. Na vijf weken gaan de ogen open en na vier tot zes weken breekt het melkgebit door. Als de dassen twaalf weken oud zijn, hebben ze hun volwassen gebit. Na acht weken verlaten de jongen voor het eerst het hol. De zoogtijd duurt minstens twaalf weken. Bij voedselgebrek kan de zoogtijd nog tot zes maanden duren. Nadat de jongen worden gespeend, leven ze de eerste paar dagen van halfverteerd voedsel, dat door de moeder wordt uitgebraakt.

Mannetjes zijn na negen tot achttien maanden geslachtsrijp, vrouwtjes na twaalf tot vierentwintig maanden. Meestal blijven dieren hun hele leven bij dezelfde burcht, maar het komt geregeld voor dat dieren op een gegeven moment de burcht verlaten om zich aan te sluiten bij een andere burcht. Het zijn vaker mannetjes dan vrouwtjes die de burcht verlaten. De dieren sluiten zich soms aan bij naburige groepen, maar ze kunnen zich ook enkele kilometers ver vestigen.

Dassen worden in het wild maximaal veertien jaar, in gevangenschap tot zestien jaar.

Verspreiding en leefgebied


De das komt voornamelijk voor in glooiend landschap, bestaande uit loofbossen, afgewisseld met grasvelden. Ze kunnen zelfs in grote tuinen worden aangetroffen (bijvoorbeeld in Engeland). In bergen komen ze voor tot de boomgrens.

De das komt voor in het grootste gedeelte van Europa en Noord-, Centraal- en Oost-Azië. De zuidgrens loopt van Zuid-Europa door Klein-Azië, Palestina, Iran, Tibet en China tot in Japan. De noordgrens loopt totaan de poolcirkel. Ook op enkele eilanden in de Middellandse Zee als Rhodos komt hij voor.

De das in Nederland


In Nederland is het verspreidingsgebied van de das erg versnipperd, de das is derhalve gebaat bij ecologische verbindingszones.

In 2000-2001 is een landelijk verspreidingsonderzoek aan de das verricht. Dit onderzoek zou bijdragen aan de tussentijdse evaluatie van het dassenbeheersbeleid van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV). Daarbij richtte het zich op de verspreiding van geschikt leefgebied, bezettingsgraad en continuïteit in bezetting en uitzetacties. Bovendien werden - buiten de directe verspreidingsdoelen van het beschermingsplan - het verdwijnen van burchtlocaties en de verstoring van dassenburchten tot onderwerp van het onderzoek gemaakt. Behalve met het verspreidingsonderzoek uit 1995 werden de ontwikkelingen in de verspreiding ook vergeleken met burchtonderzoeken uit 1960, 1970, 1980 en 1990. Het onderzoek is vooral gebaseerd op veldwerk. Per kilometerhok (= 1 km²) werd vastgesteld of er sprake was van bezetting door de das, dat wil zeggen, aan de hand van bewoningssporen op en bij dassenburchten.

Bezetting van het geschikt leefgebied

In eerder onderzoek naar het leefgebied van de das (1995) werd 15% van het onderzoeksgebied (circa 25.000 km²) als geschikt voor de das aangemerkt. In 2001 was 25% van dit potentiële leefgebied door de das bezet. De bezettingsgraad in het noorden en oosten van Nederland (8%) bleek beduidend lager dan die van het midden en zuiden (37%). De toename in de verspreiding sinds 1990 was echter voor het noorden en oosten ruim twee keer zo groot als die in het midden en zuiden van het land, respectievelijk 96% en 44%.

Verspreiding in cijfers

Op Nederlands grondgebied zijn vanaf 1960 circa 4400 burchtlocaties vastgesteld. Hiervan zijn in 2000-2001 ruim 2500 locaties (57%) bezocht, waarbij 44% van de locaties bewoond bleek te zijn. Het aantal bezette kilometerhokken in 2000-2001 bedroeg 948; een toename van 29% ten opzichte van 1995 (736 bezette kilometerhokken). De groei in de periode 1995-2001 van de kernpopulaties (n=11 in 2001) bedroeg 30%. De splinterpopulaties (n=9 in 2001) namen in oppervlak met 48% toe. De verspreide vestigingen (n=25 in 2001) namen in deze periode 17% in oppervlak af. De gemiddelde afstand tussen kernpopulaties die vanaf 1980 bestaan, nam in de periode 1980-2001 af met 25% (van 28 naar 21 km).

Regionale groei

De regionale groei in de periode 1995-2001 bedroeg in Friesland 36%, het Rijk van Nijmegen/Land van Maas en Waal 29%, en Midden-Limburg 27%. Onder het gemiddelde bleef Zuid-Limburg (18%). Nauwelijks tot geen groei werd vastgesteld in het Reestdal en op de Veluwe (1% groei). Ook in de Achterhoek was nauwelijks sprake van groei, behalve dan door uitzetacties.

Continuïteit in de verspreiding

De continuïteit in de dassenverspreiding op kilometerhokschaal nam toe. Vanaf 1960 waren 1880 (73%) bezette kilometerhokken ook in het daaropvolgende peiljaar bezet. Vanaf 1960 werd bewoning door de das in 1402 kilometerhokken vastgesteld. Hiervan waren 257 kilometerhokken voor het eerst bezet in 2001. Vanaf 1960 waren 253 kilometerhokken slechts één keer bezet. In 115 kilometerhokken was sprake van continue bewoning sinds 1960. De resterende 892 kilometerhokken waren meer dan eens bezet, maar niet continu.

Drie grote populaties

Van de totale verspreiding in 2001 is 84% geconcentreerd in drie grote populaties (Veluwe, Zuid-Limburg en de Maasvallei). Deze populaties kwamen met een gezamenlijke groei in de verspreiding van 36% in de periode 1995-2001, boven het landelijk gemiddelde uit. Dit was geheel te verklaren uit de toename van het verspreidingsgebied in de Maasvallei. In de periode daarvoor, 1990-1995, lag de groei in deze gebieden nog onder het landelijk gemiddelde (respectievelijk 12% en 16%). Toen concentreerde de groei zich met name in Zuid-Limburg. Kaartmateriaal.

Uitzettingen

In de periode 1987-2001 zijn 210 dassen uitgezet. Dit gebeurde op 26 uitzetlocaties in zeven provincies. Bijna een derde van de dassen is na uitzetting dood teruggemeld. Het aandeel van herintroductie- en uitzetactiviteiten vanaf 1987 in het landelijke verspreidingsbeeld bedroeg minstens 37 kilometerhokken: 4% van de landelijke verspreiding anno 2001.

Verdwenen burchtlocaties

In de periode 1995-2001 verdwenen 202 burchtlocaties: 8% van het totaal aan onderzochte burchtlocaties. Hiervan was in 1995 20% door dassen nog bewoond (39 burchten). Het aantal vernietigde burchtlocaties (94) daalde in vergelijking met de periode 1990-1995 met 39%.

Rode Lijst

De das staat niet meer op de Nederlandse Rode Lijst voor zoogdieren. De soort is dus niet meer bedreigd. In het verleden was dat wel het geval, maar de situatie is verbeterd.

Ondersoorten


De volgende ondersoorten worden onderscheiden:

Overig


  • Het haar van de das wordt traditioneel gebruikt in verf- en scheerkwasten.

Externe links / bronnen


Dier uit het Palearctisch gebied | Marterachtige

Язовец | Broch | Grævling | Dachs | Eurasian Badger | Melo | Mäyrä | Blaireau | גירית | Borsuk | Texugo | Taesson

 

This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the "Das (dier)".

Home Pageartsbusinesscomputersgameshealthhospitalshomekids & teensnewsphysiciansrecreationreferenceregionalscienceshoppingsocietysportsworld