article


-
Catacombe.jpg
Catacombe.jpg

Met catacomben worden in eerste instantie de onderaardse begraafplaatsen van de eerste christenen in Rome aangeduid. In navolging hiervan zijn ook andere onderaardse begraafplaatsen wereldwijd de naam van catacomben gaan dragen, zoals die in Parijs.

In Valkenburg aan de Geul heeft met in een ondergrondse mergelgroeve de Heidegroeve aan de Plenkertstraat, in de jaren tot 1913, de Katacombe van Rome nauwgezet gereconstrueerd.

Geschiedenis

In de nabijheid van de belangrijkste Romeinse weg, de Via Appia, bevond zich een laag gelegen terrein, dat werd aangeduid als catacumbas. Dit woord was afgeleid van het Griekse kata kumbas, wat bij de terreinglooiing betekent. Die naam ging over op een christelijke begraafplaats, die was ingericht in een steengroeve onder de nabijgelegen kerk van Sint Sebastianus. De benaming "catacombe" ging vervolgens ook over op andere onderaardse begraafplaatsen in Rome, maar ook ver daarbuiten. De eerste catacomben ontstonden in de tijd van de christenvervolgingen in Rome en werden gebruikt als begraafplaats en liturgische ruimten. Na die vervolgingen raakten de catacomben in de vergetelheid. Christenen begroeven hun doden nu elders, in of bij kerken in Rome zelf. In de zestiende eeuw werden zij voor het eerst wetenschappelijk onderzocht, onder meer door de oudheidkundige Antonio Bosio (1575-1629). Vanaf de negentiende eeuw zijn de catacomben in Rome onderwerp van een meer systematischer en wetenschappelijker onderzoek. Overigens treft men in Rome ook joodse catacomben aan, die in het algemeen ouder zijn dan de christelijke begraafplaatsen.

Beschrijving

Catacomben bestaan uit ingewikkelde stelsels van gangen en vormen ware labyrinten. In de wanden zijn gaten uitgehakt, waarin de doden werden bijgezet. Deze eenvoudige grafnissen worden loculi genoemd en werden afgesloten met een plaat van terracotta of van marmer. Rijkere christelijke families hadden eigen grafkamers met rijkelijk versierde wanden. Zij hadden ook grotere graven, in de vorm van een boog. Een dergelijk booggraf werd een arcosolium genoemd. Grafkamers en arcosolia werden versierd met muurschilderingen, waarin zowel hellenistische als vroeg-christelijke motieven te vinden zijn. Vaak terugkerend zijn taferelen als een herder met zijn schapen, zowel refererend aan het verhaal van de Goede Herder als aan een pastoraal thema, dat ook in de Romeinse kunst te vinden is. Ook bijbelse thema zijn er te vinden, zoals de drie jongelingen in de vuuroven, Daniel in de leeuwenkuil, Jona en het zeemonster of de arme Job op de mestvaalt. Ook vindt men symbolen terug als het anker (de hoop), het kruis (het geloof) of de duif (de vrede). De vis verwijst naar het Griekse ichthus, waarin ook de letters van Christus te vinden zijn. Ook vindt men er fresco's van de Maagd Maria met haar Kind. In Rome zijn slechts enkele van de vele catacomben voor het publiek opengesteld, die van San Callisto, San Sebastiano, San Domitilla, San Agnese en San Priscilla. Vanaf de tweede eeuw ontstonden er ook catacomben in Napels, Sicilië, Malta en Noord-Afrika, onder andere in Cyrene. In later eeuwen werden ook andere onderaardse kerkhoven en ossuaria als catacomben aangeduid, zoals die te Parijs. In Valkenburg werd rond 1908 een waarheidsgetrouwe replica van de belangrijkste delen van de catacomben van Rome gerealiseerd. Deze zijn nog steeds te bezichtigen.

























Werkstuk over catacomben en een apart stuk over de catacombe van Sint-Callixtus

Waarom catacomben en voor wie waren ze bestemd?

Eigenlijk alle catacomben, waaronder zeker de eerste, waren oorspronkelijk bovengrondse begraafplaatsen, die werden uitgebreid met ondergrondse delen. De overgang van bovengronds naar ondergronds is als volgt gegaan: Tot ongeveer 150 na Chr. werden christenen en heidenen in gemeenschappelijke begraafplaatsen naast elkaar begraven, of ze moesten een stukje eigen land bezitten waar ze hun doden op konden begraven. Toen op de christenen een scheiding wilden van de heidenen in deze gemeenschappelijke begraafplaatsen, moest een alternatief worden gezocht om te begraven. Dit uitte zich eerst nog wel in bovengrondse begraafplaatsen: de christenen kozen ervoor om eigen kerkhoven aan te leggen, speciaal bestemd voor het christelijk geloof. Hiervoor moest men echter wel grond bezitten, en het merendeel van de christenen in die tijd was niet rijk. Hierdoor waren ze sterk afhankelijk van rijke christelijke families die hun grond wilden afstaan voor het begraven van hun geloofsgenoten. Ook hier ontstonden echter problemen; omdat steeds meer mensen zich tot het christendom gingen bekeren (helemaal na Constantijn met het Edict van Milaan uit 313), en omdat de christenen liever werden begraven dan gecremeerd raakten ook deze begraafplaatsen al snel overvol. Om dit probleem op te lossen, werden vanaf het begin van de tweede eeuw de eerste catacomben gemaakt. Deze bestonden aanvankelijk alleen uit familiegraven, maar vanaf het moment dat de catacomben ook werden opengesteld aan ‘de geloofsgenoten’, waren de gezamenlijke catacomben een feit. Al snel vonden enorme en snelle uitbreidingen plaats. Dit werd bij sommige catacomben veroorzaakt door de verering van de martelaren die er begraven waren. Want vele christenen verlangden begraven te worden in de nabijheid van de martelaren. Maar er werd ook zoveel uitgebreid omdat er zeer veel christenen waren, en na het Edict van Milaan uit 313 zeker!

De grond verkregen de christenen door schenkingen of door het aankopen van nieuwe eigendommen, soms op initiatief van de kerk zelf. Typisch is hier het geval van Sint-Callixtus; de kerk nam onmiddellijk de organisatie en de administratie op zich ten behoeve van de gemeenschap, hierover echter meer in hoofdstuk 3.

Toen het christendom een verboden geloof was, werden de catacomben ook gebruikt als onderduikplaats waar toch nog vereerd werd. Maar ze zijn dus niet gemaakt óm de vervolgingen te ontduiken. Ook waren ze dus oorspronkelijk niet bedoeld om er te vereren.

Met het edict van Milaan, uitgevaardigd door de keizers Constantijn en Licinius in februari 313 werden de christenen niet langer meer vervolgd. Ze waren nu vrij om hun geloof te belijden, gebedsplaatsen te hebben en kerken te bouwen binnen en buiten de stad, en stukken land aan te kopen zonder gevaar van confiscatie. Toch bleven de catacomben gebruikt als normale begraafplaatsen tot het begin van de vijfde eeuw; vanaf dat moment begraaft de kerk weer uitsluitend bovengronds.

Toen in de derde eeuw na Chr. de barbaren Italië binnenvielen, lieten zij ook de catacomben niet met rust, in die tijd zijn vele catacomben vernield en beroofd. Door deze blijvende plunderingen besloten de pausen eind achtste eeuw, begin negende, om de relieken van de martelaren en heiligen over te brengen naar de kerken in de stad, waar het veiliger was. Zodra dit echter gebeurd was, werden de catacomben niet meer bezocht en voor het grootste deel ook sterk verwaarloosd. Alleen de catacomben van de H. Sebastiaan, de H. Laurentius en de H. Pancratius werden nog enigszins onderhouden. De andere catacomben raakten in de vergetelheid en aan het einde van de middeleeuwen wist men zelfs niet meer van hun bestaan af. Pas eeuwen later werd er weer onderzoek gedaan naar catacomben, als eerste door Antonio Bosio, ook wel bekend als Christoffel Columbus (1575-1629). Een echt systematische verkenning startte echter pas halverwege de 19e eeuw door Giovanni Battista de Rossi (1822-1894). Hij heeft ook zeer veel aandacht besteed aan de catacombe van Sint-Callixtus, tegenwoordig wordt hij beschouwd als de stichter van de christelijke archeologie.

De naamgeving van het woord ‘catacombe’ aan de ondergrondse begraafplaatsen is niet zomaar ontstaan: de eerste christenen noemden hun begraafplaatsen nog niet zo, de term is waarschijnlijk pas later ontstaan. Er zijn verschijnende theorieën over de naamgeving. De meest logische is dat ‘ad catacumbas’ door de Romeinen werd gebruikt om een plaats aan te geven langs de Via Appia waar zich grotten bevonden voor het winnen van blokken tufsteen. Het was afgeleid van het Griekse kata kumbas, wat ‘bij de terreinglooiing’ betekent. Die naam ging over op een christelijke begraafplaats, die was ingericht in een steengroeve onder de nabijgelegen kerk van Sint Sebastianus. Op een bepaald moment werd die ook ‘catacumbas’ genoemd, misschien wel omdat bij het uitgraven van de begraafplaatsen ook tufsteen naar boven kwam en dat ook werd gezien als winning. Een tweede theorie zegt dat het een combinatie is van het Latijnse werkwoord accumbere, dat ‘gaan liggen’ betekent, met voorvoeging van het Griekse voorzetsel kata, bij. Welke theorie ook de juiste is, uiteindelijk werd aan alle onderaardse begraafplaatsen de term catacombe toegekend. Deze alinea gaat dus over het ontstaan van het woord zelf. Zie voor het ontstaan van het woord catacombe voor een ondergrondse begraafplaats paragraaf 2.3.

De opbouw

Een catacombe is volgens de Van Dale ‘een onderaardse gang met spelonken, gewelven en groeven zoals o.a. bij Rome’. In eerste instantie spreken we echter altijd over de (soms gigantische!) onderaardse begraafplaatsen van de eerste christenen in Rome. Dit werkstuk zal gaan over deze catacomben van Rome, waarbij de catacombe van Sint-Callixtus specifiek besproken zal worden. In dit eerste hoofdstuk zal een algemene beschrijving van de catacomben gegeven worden.

Het grootste deel van een catacombe bestaat uit verticale, opeengestapelde graven (loculi). Deze werden bezet door een tot soms wel 3 personen. De loculi gaven door hun structuur van rijen boven elkaar het idee van een uitgestrekt dormitorium, koimeterion geheten, een term van Griekse oorsprong die rustplaats betekent. Op deze manier wilden de christenen hun geloof in de verrijzenis beklemtonen. Ook maakte men vloergraven (formae) en nis- of booggraven (arcosolia). In deze twee grafsoorten werd in het algemeen slechts 1 persoon begraven. Deze laatste twee waren dan ook vaak bedoeld voor de wat rijkere mensen.

De genoemde formae waren dus vloergraven. Deze kwamen echter in tegenstelling tot de andere grafsoorten overal voor: in de vloer van een crypte, maar in een cubiculum of zelfs een gang. Grote aantallen formae zijn aangetroffen in de buurt van graven van martelaren.

Het arcosolium was typerend voor de derde en vierde eeuw na Chr.: een grote nis met een boog erboven. De marmeren plaat werd horizontaal geplaatst. Naast de drie voorgaande grafsoorten, had je nog een aantal manieren om te begraven die apart genoemd kunnen worden: De sarcofaag, de crypte en het cubiculum. Dit cubiculum, de term betekent "slaapkamer", was een kleine kamer dat een familiegraf bevatte. Hierin bevonden zich meerdere loculi voor de verschillende familieleden. Deze speciale familiegraven waren vooral bestemd voor de rijken, ze waren dan ook vaak fraai gedecoreerd en versierd met fresco’s. Wat een sarcofaag is hoeft niet behandeld te worden voor dit onderwerp, maar de crypte behoeft enige uitleg: Crypten zijn een soort kleine, ondergrondse kerkjes, die meestal rijkelijk gedecoreerd waren. Tijdens paus Damasus (meer over hem in het hoofdstuk over de catacombe van Sint-Callixtus), werden veel martelarengraven omgevormd tot crypten. Oorspronkelijk was het niet het doel van de catacomben om er ook te vereren en er kerkjes te maken, dit is later dus wel gebeurd oor middel van deze graven. Waarvoor en voor wie de catacomben wel waren en hoe ze zijn veranderd zal worden besproken in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

Het uitgraven van de catacomben was het exclusieve werk van gespecialiseerde werkers die "fossores" genoemd werden. Zij groeven de ene gang na de andere bij het flauwe licht van hun lampjes. Om de aarde naar de oppervlakte te transporteren gebruikten zij korven of zakken die zij door de lucernaria naar omlaag lieten. Dit zijn gaten naar het oppervlak, die later bedoeld waren als licht- en luchttoevoer. Deze gaten werden eigenlijk door de gehele catacombe aangelegd; in het plafond van de crypten, cubicula of langs de gangen werden lucernaria gemaakt. Deze waren tijdens de bouw dus bestemd voor afvoer van het afval.

Over het geheel gezien bestonden de catacomben uit zeer veel gangen; het totale aantal in Rome wordt geschat tussen de 900 en 1200 km! In de gangenstelsels zaten bepaalde systemen: er waren twee hoofdingangen met daartussenin gangen (het zogenaamde roostersysteem) waarbij de gangen zich vertakten als twijgen van een boom (het zogenaamde twijgsysteem). Wanneer echter, zoals dat bij de catacombe van Sint-Callixtus het geval was, later meerdere aparte catacomben werden samengevoegd tot een geheel, ontstond een veelal ongeordende hoeveelheid gangen, verspreid over tot wel 5 verschillende verdiepingen en soms wel een diepte bereikend van 20 meter. De grootste catacombe van Rome, de Sint-Callixtus catacombe, bevat waarschijnlijk rond de 20 kilometer aan gangen, er bestaan echter ook catacomben van (slechts) een aantal kilometers lang. Alle gangen bevatten tufstenen muren (omdat de grond daaruit bestond in Rome) met op de plekken waar een graf was, een grafsteen (voor de rijken) van marmer of (voor de ‘massagraven’) slechts een plaat van terracotta of tegels met mortel voor het graf.

De catacomben van Sint Callixtus

3.1 Algemeen

De catacomben van Sint-Callixtus zijn een samenvoeging uit de tweede eeuw van een aantal particuliere familiegraven: de begraafplaatsen van Lucina, Balbina, Soterus, Cecilii, Cornelii en van de Pomponii werden door paus Callixtus samengevoegd tot een geheel, gelegen aan de Via Appia. Een aantal van deze begraafplaatsen zijn nog als crypte terug te vinden in de huidige catacombe.

3.2 De opbouw

De catacomben van Sint Callixtus zijn opgebouwd uit vele verschillende begraafplaatsen en zijn door samenvoeging van paus Callixtus ‘de catacomben van Sint Callixtus’ geworden. Het complex beslaat een terrein van ongeveer 30 Hectare, in vier verdiepingen boven elkaar, bevat circa 20 kilometer aan gangen, waarin misschien wel een half miljoen graven. Kortom, een complex van gigantische omvang en hiermee de grootste van (de meer dan zestig catacomben van) Rome. De catacombe valt onder te verdelen in de volgende hoofdgebieden: ten eerste de meest beroemde; de Crypte van de pausen. Dan de Crypte van Sint-Cecilia, de Crypte van de sacramenten, en de regio’s genoemd naar paus Miltiades en die naar paus Gaius en paus Eusebius. Er bestaat ook nog ‘de westelijke regio’, de regio van Liberius en ten slotte de Crypte van Lucina. Er zijn nog vele andere crypten te noemen, deze zijn echter te klein voor de toch redelijk algemene beschrijving die ik van de Sint-Callixtus catacombe wil geven en zullen dus slechts genoemd worden in §4, waar de verschillende delen van de catacombe behandeld zullen worden. De verschillende delen dateren onder andere door de latere samenvoeging maar ook door verbouwing en uitbreiding, uit zeer uiteenlopende tijden. Variërend van halverwege de tweede eeuw (De Crypten van Lucina, van de pausen en van Sint-Cecilia) tot de tweede helft van de vierde eeuw (de regio van Liberius).

De plattegrond van de catacombe doet vermoeden dat er een van tevoren bedachte structuur in is aangebracht, dit is echter niet het geval want de delen komen dus uit verschillende tijden en zijn op latere momenten samengevoegd. De afzonderlijke delen hebben wel een redelijk duidelijke structuur, waardoor het geheel meer geordend lijkt.

Wat het bovengrondse gedeelte van de catacombe betreft, valt er ook heel wat te zien. Zoals op de foto te zien is zijn er nog een redelijk aantal gebouwen goed bewaard gebleven. Ten eerste zijn boven op de gangenstelsels van de catacombe twee ‘Trichore’ te vinden; grafmonumenten gewijd aan de martelaren in de onderliggende martelarengraven. Ook zijn verschillende kleine basilieken te vinden op de catacombe. Zoals op volgende afbeelding te zien valt, zijn er nog in zeer goede staat.

Een van de ‘Trichore’: Basiliek van paus Sixtus II (een daar gestorven martelaar), later toegevoegd boven de catacombe van Callixtus. Sixtus II zelf ligt begraven in de Crypte van de pausen, ín de catacombe

Van binnen bestaat de catacombe voor het grootste deel uit loculi. Door de omvang van de catacombe komen echter alle graftypen die genoemd zijn in Hoofdstuk 2.2 aan bod.

3.3 Paus Callixtus

Paus Callixtus I leefde van eind tweede eeuw (de exacte datum is onbekend) tot 14 oktober 222. Hij was van 217 tot 222 paus. Zephyrinus (199-217) vertrouwde, toen hijzelf nog paus was, de bewaking van die beginnende catacombe toe aan de diaken Callixtus om ze te beheren in naam van de Kerk. De taak van Callixtus was om de uitbreidingen van de catacomben te leiden met als doel op alle gelovigen een waardige begraafplaats te kunnen geven. Toen hij op zijn beurt paus was geworden, heeft hij de begraafplaats nog verder verruimd. De catacombe kreeg zijn naam en het werd het officiële kerkhof van de Kerk van Rome. Hiermee was het ook het eerste christelijke kerkhof als catacombe. Callixtus I was de zestiende paus van de Rooms-katholieke Kerk. Hij is waarschijnlijk geboren in een van oorsprong Griekse familie van slaven, levend in de Romeinse wijk Trastevere, waar hij ook gestorven is. Callixtus is het meest bekend om zijn besluit tot het vergeven van alle zonden, inclusief moord en verkrachting. Ook stelde hij een wet in dat het begaan van ‘seksuele zonden’ beboet moest worden. Deze besluiten hebben geleid tot ‘het schisma van Hippolytus’, waarbij de eerste tegenpaus, paus Hippolytus, gekozen werd. Diezelfde Hippolytus heeft ook een beschrijving van het leven van paus Callixtus gegeven. Hij meldt dat Callixtus als jonge slaaf de baas over een bank werd, maar het geld verloor. Hij vluchtte uit Rome, maar werd bij zee gevangen en terug naar zijn meester gestuurd. Callixtus werd echter opgepakt toen hij in een synagoge vocht met Joodse geldschieters. Vanwege zijn geloof werd hij naar de zoutmijnen van Sardinië gestuurd, waar hij echter op voorspraak van Marcia, een minnares van Commodus, vrijgelaten werd. Omdat zijn gezondheid slecht was, werd hij door paus Zephyrinus, goed opgevangen en van onderdak voorzien. Callixtus had dus al een woelig leven achter de rug toen hij steeds ‘geliefder’ werd bij de paus, de bewaring van de catacomben onder zijn hoede kreeg, en uiteindelijk zelf paus werd.

In zijn catacombe werden toen na Zephyrinus alle pausen tot paus Eutychianus begraven, negen van de zestien pausen in de catacombe zijn ondergebracht in de naar hen genoemde Crypte van de Pausen.

Volgens de legende stierf Callixtus zelf doordat hij in een put werd gegooid, bij de Santa Maria in de Jodenwijk in Trastevere, een kerk die Callixtus zelf zou hebben laten bouwen. Dit laatste maakt zijn titel als martelaar dubieus. Want Alexander Severus, de toenmalige keizer, duldde de christenen. Hierom zou dus gesteld kunnen worden dat hij geen ‘martelaar der vervolging’ is. Hij is niet in zijn eigen catacombe bijgezet maar in de catacombe van Calepodius aan de Via Aurelia; zijn graf is daar echter (nog?) niet gevonden.

Literatuur

  • L.V. Rutgers, Onderaards Rome, een speurtocht naar de wortels van het christendom in de catacomben van de Eeuwige Stad, Leuven 2000
  • Vincenzo Fiocchi Nicolai, Fabrizio Bisconti, Danilo Mazzolen, The Christian catacombs of Rome : history, decoration, inscriptions, Regensburg 1999
  • B.H.W. Esser, Langs kerken en catacomben : een speurtocht in het oude Rome, Muiderberg 1993
  • Bakhuizen van den Brink, J. N. (1933), De catacomben, Den Haag: D. A. Daamen’s uitgevers-maatschappij N.V.
  • Hendrichs, S. J. F. (1927), Het christelijk getuigenis der catacomben, Hertogenbosch: Mosmans.
  • Stevenson, J. (1978), The catacombs, Hampshire: BAS Printers Limited.

Externe links

http://www.catacombe.roma.it/

http://web.tiscali.it/no-redirect-tiscali/catacombe_priscilla/

http://www.catacombe.domitilla.it

http://www.catacombsociety.org/index.html

http://members.lycos.nl/leonW/katakomben.html

Graf

Katakombe | Katakombe | Catacombs | Catacumbas | Catacombes | Katakomba | Catacombe | カタコンブ | Katakombe | Katakumby | Katakomb

 

This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the "Catacombe".

Home Pageartsbusinesscomputersgameshealthhospitalshomekids & teensnewsphysiciansrecreationreferenceregionalscienceshoppingsocietysportsworld