De bast is de buitenste laag van een boom. Meestal wordt er het geheel van schors en aangroeilaag mee bedoeld. Rondom het binnenste, reeds afgestorven hout bevindt zich een levende laag, waarin het cambium zorgt voor de diktegroei. Door deze levende laag vindt via het xyleem vanuit de wortels het watertransport met daarin mineralen naar de bladeren plaats. En omgekeerd via het floeem het transport vanuit de door bladeren gevormde assimilaten en de in de parenchymcellen opgeslagen reservestoffen naar o.a. de wortels en de groeipunten plaats. Betula-ermanii_stam.jpg]]
De wanden van de cellen van de buitenste dode laag van de bast zijn ondoorlaatbaar door afzetting van suberine, een wasachtige stof, in de wand en zo de boom beschermen. Om het floeem zit een ring van parenchymcellen, waarin reservestoffen worden opgeslagen, die voor het uitlopen van de boom in het voorjaar weer worden gebruikt.
In de bast komen lenticellen voor, die ervoor zorgen dat de levende weefsels voorzien worden van voldoende zuurstof.
Bij veel boomsoorten barst de schors bij de groei van de boom, daar hij niet elastisch is. Sommige soorten kunnen echter door zijdelingse delingen deze groei opvangen, waardoor de bast niet scheurt.
Bij de berk laten door de diktegroei delen van de bast los en bladderen als horizontale banden af. De diktegroei vindt plaats doordat de cambiumlaag (delingslaag) naar binnen toe houtvaten en naar buiten toe zeefvaten maakt. Het watertransport gaat door de houtvaten en dat van assimilaten door de zeefvaten.
De kurkeik vormt een zeer dikke bast. De beuk daarentegen heeft een dunne bast die glad blijft. Door de dunne bast is de beuk echter zeer gevoelig voor zonnebrand.